Een auto kopen of leasen als ondernemer? Dan komt al snel de vraag: zet je de auto op de zaak of houd je hem privé? Beide opties hebben fiscale voor- en nadelen. Wat uiteindelijk het voordeligst is, hangt sterk af van jouw persoonlijke situatie.
Denk bijvoorbeeld aan de waarde van de auto, het aantal zakelijke en privékilometers, de autokosten en jouw ondernemingsvorm. Bovendien veranderen er vanaf 2027 enkele belangrijke fiscale regels. Reden genoeg om de verschillende mogelijkheden goed naast elkaar te zetten.
Zakelijk of privé: geen eenvoudige rekensom
Er is geen standaardantwoord op de vraag of een zakelijke of privéauto voordeliger is. Voor een goede vergelijking spelen onder andere de volgende zaken mee:
- de aanschafprijs en afschrijving;
- onderhouds-, brandstof- of laadkosten;
- verzekering en motorrijtuigenbelasting;
- eventuele financieringskosten;
- het aantal zakelijke en privékilometers;
- de CO₂-uitstoot van de auto;
- de btw-gevolgen;
- een eventuele bijtelling;
- en vanaf 2027 mogelijk de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.
Ook jouw ondernemingsvorm en belastingtarief zijn van invloed. Voor een dga met een bv gelden bijvoorbeeld deels andere regels dan voor een ondernemer met een eenmanszaak of vof.
De auto op de zaak
Reken je de auto tot het ondernemingsvermogen? Dan worden de aanschaf en de overige autokosten in principe door de onderneming betaald.
Kosten voor bijvoorbeeld onderhoud, brandstof of elektriciteit, verzekering, parkeren en wassen kunnen doorgaans ten laste van de winst worden gebracht. Daarnaast kun je jaarlijks afschrijven op de auto.
Voor sommige milieuvriendelijke auto’s kan in 2026 bovendien de milieu-investeringsaftrek (MIA) gelden. Dit betreft onder andere specifieke waterstof- en zonnecelpersonenauto’s.
Gebruik je de zakelijke auto ook privé? Dan krijg je in veel gevallen wel te maken met bijtelling.
Bijtelling in 2026
Rijd je met een auto van de zaak jaarlijks meer dan 500 kilometer privé? Dan moet je in principe een bedrag bij jouw inkomen optellen.
Voor auto’s die in 2026 voor het eerst op kenteken worden gezet gelden in hoofdlijnen de volgende percentages:
| Auto | Bijtelling 2026 |
|---|---|
| Volledig elektrisch | 18% tot € 30.000 cataloguswaarde, daarboven 22% |
| Waterstof of zonnecel | 18% over de volledige cataloguswaarde |
| Auto met CO₂-uitstoot | 22% |
Een vastgesteld bijtellingspercentage blijft in beginsel 60 maanden van toepassing.
Kun je aantonen dat je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt? Dan kan de bijtelling achterwege blijven.
Goed om te weten: woon-werkverkeer wordt voor de inkomstenbelasting als zakelijk gezien. Voor de btw gelden hiervoor andere regels.
Hoe zit het met een youngtimer?
Voor oudere auto’s geldt een afwijkende regeling. In 2026 kan de youngtimerregeling worden toegepast op auto’s van 16 jaar en ouder. De bijtelling bedraagt dan 35% van de waarde van de auto in het economisch verkeer, in plaats van een percentage van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
Vanaf 2027 wordt de leeftijdsgrens voor deze regeling verhoogd naar 25 jaar.
Rijd je momenteel in een youngtimer of overweeg je er een aan te schaffen? Dan kan deze verandering flinke gevolgen hebben voor jouw fiscale voordeel.
Vanaf 2027: pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s
Vanaf 2027 wordt het voor werkgevers fiscaal minder aantrekkelijk om een fossiele personenauto ter beschikking te stellen.
Stelt een werkgever vanaf 1 januari 2027 een personenauto met CO₂-uitstoot ter beschikking aan een werknemer die deze auto ook privé of voor woon-werkverkeer gebruikt? Dan kan een pseudo-eindheffing van 12% van de cataloguswaarde per jaar gelden.
Bij een auto met een cataloguswaarde van € 40.000 komt dat neer op € 4.800 per jaar.
Deze regeling kan ook gelden voor een dga die vanuit zijn of haar eigen bv in een fossiele auto van de zaak rijdt.
Voor ondernemers in de inkomstenbelasting geldt de pseudo-eindheffing niet voor hun eigen zakelijke auto. Zij kunnen er wel mee te maken krijgen wanneer zij auto’s aan werknemers ter beschikking stellen.
Voor auto’s die vóór 2027 al ter beschikking zijn gesteld, geldt een overgangsregeling.
De nieuwe regels maken het dus extra belangrijk om bij de aanschaf van een zakelijke auto niet alleen naar de kosten van vandaag te kijken, maar ook naar de fiscale gevolgen vanaf 2027.
De auto privé houden
Je kunt er natuurlijk ook voor kiezen de auto privé aan te schaffen en deze te gebruiken voor zakelijke ritten.
Een belangrijk voordeel daarvan is dat je geen bijtelling krijgt. De auto blijft daarnaast jouw privébezit. Een eventuele winst bij verkoop is in beginsel niet belast.
Voor zakelijke kilometers mag in 2026 € 0,25 per kilometer worden vergoed. Heb je een bv, dan kan de bv deze vergoeding belastingvrij aan jou betalen. Ben je ondernemer voor de inkomstenbelasting, dan mag je € 0,25 per zakelijke kilometer ten laste van de winst brengen.
Daar staat tegenover dat je de aanschaf en alle overige autokosten zelf betaalt. Kosten zoals afschrijving, onderhoud, verzekering en brandstof kun je dan niet afzonderlijk van de ondernemingswinst aftrekken.
Afhankelijk van jouw situatie kan wel een deel van de btw op gebruik en onderhoud aftrekbaar zijn.
Wanneer is privé rijden vaak voordeliger?
Hoewel iedere situatie anders is, zijn er enkele globale vuistregels.
Een privéauto kan relatief aantrekkelijk zijn wanneer je:
- veel zakelijke kilometers rijdt;
- een auto hebt met een relatief lage afschrijving;
- relatief lage jaarlijkse autokosten hebt;
- bij zakelijk rijden met een hoge bijtelling te maken zou krijgen.
Een zakelijke auto kan juist interessanter zijn wanneer de werkelijke autokosten hoog zijn of wanneer je maar weinig privékilometers rijdt.
Dit blijven echter vuistregels. Zeker bij een elektrische auto, een duurdere auto of een bv kan de werkelijke berekening anders uitpakken.
Een eenmaal gemaakte keuze verander je niet altijd zomaar
Ben je ondernemer voor de inkomstenbelasting? Dan kun je een auto die eenmaal tot het ondernemingsvermogen behoort in principe niet zomaar naar privé overbrengen. Daarvoor moet doorgaans sprake zijn van een bijzondere omstandigheid.
Bij een bv is dat anders. De bv kan de auto aan jou als dga verkopen, waarna je de auto privé houdt en zakelijke kilometers kunt declareren.
Daarbij kunnen wel fiscale gevolgen spelen. Het is daarom verstandig om niet alleen naar het voordeel op korte termijn te kijken, maar ook rekening te houden met jouw plannen voor de komende jaren.
Welke keuze past bij jouw situatie?
Zakelijk of privé rijden kan financieel een flink verschil maken. De juiste keuze hangt onder andere af van jouw ondernemingsvorm, het aantal kilometers, de waarde en leeftijd van de auto, de bijtelling en de fiscale veranderingen vanaf 2027.
Overweeg je een nieuwe auto aan te schaffen of te leasen? Laat vooraf beide scenario’s doorrekenen. Zo krijg je inzicht in de daadwerkelijke kosten en voorkom je dat een ogenschijnlijk voordelige keuze uiteindelijk minder gunstig uitpakt.
De adviseurs van ZMGroep helpen je graag om de fiscale en financiële gevolgen inzichtelijk te maken. Samen bekijken we welke keuze het beste past bij jouw onderneming en situatie. Neem gerust contact met ons op.
Wonen en werken in hetzelfde pand kan praktisch en aantrekkelijk zijn. Toch betekent een kantoor aan huis niet automatisch dat je de kosten ervan mag aftrekken. Voor de Belastingdienst moet je werkruimte aan strenge voorwaarden voldoen.
Of je kosten kunt aftrekken, hangt onder andere af van:
- de zelfstandigheid van de werkruimte;
- hoeveel inkomen je vanuit de werkruimte verdient;
- de rechtsvorm van je onderneming;
- de vraag of de woning privé- of ondernemingsvermogen is;
- het gebruik van de werkruimte voor btw-belaste activiteiten.
In dit artikel leggen we de belangrijkste fiscale regels voor een kantoor aan huis uit.
Wanneer is sprake van een kwalificerende werkruimte?
Voor de fiscale behandeling wordt onderscheid gemaakt tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.
Een werkruimte is alleen kwalificerend als deze voldoet aan twee voorwaarden:
- het zelfstandigheidscriterium;
- het inkomenscriterium.
Je moet aan beide criteria voldoen.
Het zelfstandigheidscriterium
Een werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium wanneer deze duidelijk van de rest van de woning te onderscheiden is.
De ruimte moet in ieder geval beschikken over:
- een eigen ingang;
- eigen sanitaire voorzieningen;
- voldoende zelfstandigheid om aan een derde verhuurd te kunnen worden.
Een bureau in de woonkamer, een slaapkamer die je als kantoor gebruikt of een werkplek op zolder is daarom meestal geen kwalificerende werkruimte.
Een verbouwde garage met een eigen ingang en eigen sanitair kan dat mogelijk wel zijn.
Het inkomenscriterium
Naast voldoende zelfstandigheid moet je ook een belangrijk deel van je inkomen in of vanuit de werkruimte verdienen.
Is de werkruimte in je woning je enige werkruimte? Dan moet je:
- minimaal 30% van je inkomen daadwerkelijk in de werkruimte verdienen; én
- minimaal 70% van je inkomen in of vanuit de werkruimte verdienen.
Heb je daarnaast nog een andere werkruimte buiten je woning? Dan moet je minimaal 70% van je inkomen daadwerkelijk in de werkruimte thuis verdienen.
Voldoe je niet aan deze percentages? Dan is je kantoor aan huis fiscaal geen kwalificerende werkruimte.
Eenmanszaak, vof of maatschap
Heb je een eenmanszaak, vof of maatschap? Dan is je onderneming juridisch geen aparte eigenaar van de woning. De woning is eigendom van jou als natuurlijk persoon.
Daarom moet je voor de inkomstenbelasting bepalen of de werkruimte tot je privévermogen of ondernemingsvermogen behoort. Dit wordt vermogensetikettering genoemd.
De mogelijkheden zijn afhankelijk van het zakelijke gebruik en van de vraag of de werkruimte juridisch of bouwkundig van de woning kan worden gesplitst.
Verplicht ondernemingsvermogen
Gebruik je de woning voor 90% of meer zakelijk? Dan behoort de woning verplicht tot het ondernemingsvermogen.
Keuzevermogen
Bij gemengd gebruik kun je in bepaalde situaties kiezen of je de woning of werkruimte tot je privé- of ondernemingsvermogen rekent.
Wanneer de werkruimte juridisch of bouwkundig van de woning kan worden gesplitst, kun je het zakelijke gedeelte afzonderlijk als ondernemingsvermogen aanmerken.
Is splitsing niet mogelijk? Dan kun je onder voorwaarden de hele woning als ondernemingsvermogen behandelen. Bij de aankoop moet dan in beginsel minimaal 10% van de woning bestemd zijn geweest voor zakelijk gebruik.
Ook bij een zakelijk gebruik van minder dan 10% kan een woning in uitzonderlijke situaties toch ondernemingsvermogen zijn. Je moet dan aannemelijk kunnen maken dat de woning duidelijk dienstbaar is aan de onderneming. Dit kan bijvoorbeeld spelen wanneer een bedrijfsruimte en woning gezamenlijk zijn gekocht of wanneer vanuit de woning toezicht op het bedrijf wordt gehouden.
De keuze voor privé- of ondernemingsvermogen kan grote fiscale gevolgen hebben. Niet alleen voor de jaarlijkse kostenaftrek, maar ook bij een latere verkoop van de woning.
De woning behoort tot het privévermogen
Behoort je woning tot je privévermogen? Dan hangt de aftrekbaarheid van de kosten af van de vraag of je werkruimte kwalificeert.
Niet-kwalificerende werkruimte
De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kun je niet aftrekken van je winst. De normale eigenwoningregeling blijft op de gehele woning van toepassing.
Ook de kosten voor de inrichting van de werkruimte, zoals een bureau of kast, zijn in beginsel niet rechtstreeks aftrekbaar van de winst.
Gebruik je de inrichting zakelijk en behaal je btw-belaste omzet? Dan kun je mogelijk wel:
- investeringsaftrek toepassen;
- de betaalde btw terugvragen.
Kwalificerende werkruimte
Een kwalificerende werkruimte valt niet onder de eigenwoningregeling.
Voor het eigenwoningforfait telt de waarde van de werkruimte niet mee. De waarde van de werkruimte en het bijbehorende deel van de hypotheekschuld geef je in beginsel aan in box 3.
De kosten van de werkruimte mag je onder voorwaarden aftrekken van je winst. Deze aftrek is gemaximeerd op het voordeel dat je voor de werkruimte in box 3 moet aangeven.
Voor 2026 wordt dit voordeel berekend aan de hand van een percentage van 6% van de WOZ-waarde van de werkruimte.
Daarnaast mag je kosten aftrekken die normaal gesproken voor rekening van een huurder zouden komen. Denk bijvoorbeeld aan:
- energiekosten;
- kosten voor klein onderhoud;
- een deel van de inboedelverzekering;
- andere gebruikskosten van de werkruimte.
De kosten van de inrichting zijn niet rechtstreeks aftrekbaar. Mogelijk kun je hiervoor wel investeringsaftrek toepassen en de btw terugvragen.
De woning behoort tot het ondernemingsvermogen
Heb je de werkruimte als ondernemingsvermogen aangemerkt? Dan kun je de zakelijke kosten in beginsel aftrekken van je winst.
De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt fiscaal als onderdeel van de onderneming behandeld. Dit betekent ook dat een eventuele boekwinst bij verkoop belast kan zijn.
Heb je de hele woning, inclusief de werkruimte, als ondernemingsvermogen aangemerkt? Dan kun je in beginsel alle kosten aftrekken, met uitzondering van bepaalde huurderslasten die betrekking hebben op het privégedeelte.
Voor het privégebruik van de woning moet je wel een bedrag bij je winst tellen. Voor de meeste woningen bedraagt deze bijtelling in 2026 1,10% van de WOZ-waarde.
Bij een niet-kwalificerende werkruimte wordt de bijtelling berekend over de WOZ-waarde van de hele woning.
Bij een kwalificerende werkruimte wordt uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning zonder het zakelijke gedeelte. Wanneer het woongedeelte privévermogen is en het bedrijfsdeel ondernemingsvermogen, kan de bijtelling voor de kwalificerende werkruimte achterwege blijven.
Werkruimte in een huurwoning
Ook in een huurwoning kan een werkruimte fiscaal kwalificeren.
Voldoet de ruimte aan zowel het zelfstandigheidscriterium als het inkomenscriterium? Dan kun je een evenredig deel van de huur en de huurderslasten aftrekken van je winst.
Voldoet de ruimte niet aan deze voorwaarden? Dan is aftrek niet mogelijk. Dat geldt ook wanneer je het huurrecht als ondernemingsvermogen zou willen aanmerken.
Kantoor aan huis vanuit een bv
Onderneem je vanuit een bv en ben je directeur-grootaandeelhouder? Dan geldt eveneens het onderscheid tussen een kwalificerende en niet-kwalificerende werkruimte.
Kwalificerende werkruimte bij een bv
Stel je een kwalificerende werkruimte ter beschikking aan je bv? Dan valt de werkruimte voor jou als dga onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.
De vergoeding die je bv voor het gebruik van de werkruimte betaalt, moet zakelijk zijn vastgesteld.
Voor de bv is de vergoeding aftrekbaar van de winst. Voor jou als dga vormt de vergoeding, na aftrek van de kosten die aan de werkruimte zijn toe te rekenen, belast inkomen in box 1.
Op dit resultaat mag je de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% toepassen.
De werkruimte valt niet onder de eigenwoningregeling. De waarde van de werkruimte en het bijbehorende deel van de hypotheekschuld neem je op in de balans van je werkzaamheid in box 1.
Niet-kwalificerende werkruimte bij een bv
Een niet-kwalificerende werkruimte blijft onderdeel van de eigen woning. Het eigenwoningforfait wordt daarom berekend over de woning inclusief de werkruimte.
Een vergoeding die de bv aan jou betaalt voor het gebruik van de ruimte wordt in beginsel als loon behandeld.
De vergoeding kan mogelijk worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel binnen de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Zolang het totaal aan aangewezen vergoedingen en verstrekkingen binnen de vrije ruimte blijft, betaalt de bv hierover geen belasting.
Wordt de vrije ruimte overschreden? Dan betaalt de bv 80% eindheffing over het bedrag van de overschrijding.
Hoe zit het met de btw?
Voor de btw gelden andere regels dan voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.
Eenmanszaak, vof of maatschap
Voor de btw is vooral van belang of je de werkruimte en bijbehorende voorzieningen gebruikt voor je onderneming en of je hiermee btw-belaste omzet behaalt.
Is dat het geval? Dan kun je de werkruimte of bepaalde kosten voor de btw zakelijk behandelen. Je kunt mogelijk de btw terugvragen over het zakelijke gedeelte van onder andere:
- energie;
- onderhoud;
- inrichting;
- verbouwingskosten.
De aftrek is beperkt tot het gedeelte dat je voor btw-belaste bedrijfsactiviteiten gebruikt.
Bv en verhuur aan de onderneming
Verhuur je als dga de werkruimte aan je bv? Dan moet sprake zijn van btw-belaste verhuur om de btw op de kosten te kunnen aftrekken.
De Belastingdienst stelt zich bij een onzelfstandige werkruimte in een woning vaak op het standpunt dat geen sprake is van een zelfstandige economische verhuuractiviteit. De verhuur valt dan buiten de btw.
Ook kan de Belastingdienst van mening zijn dat sprake is van vrijgestelde verhuur van woonruimte wanneer de ruimte ook privé kan worden gebruikt. In dat geval kun je de betaalde btw niet aftrekken.
In een uitspraak uit 2025 oordeelde Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat btw-belaste verhuur van een onzelfstandig gedeelte van een woning in een specifieke situatie wel mogelijk was. Het privégebruik van de ruimte was in die zaak ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld. Het definitieve oordeel van de Hoge Raad moet daarom nog worden afgewacht.
Laat je situatie vooraf beoordelen
De fiscale regels voor een kantoor aan huis zijn complex. Een kleine verandering in het gebruik, de inrichting of de eigendomsverhouding kan al tot een andere fiscale behandeling leiden.
Bovendien kunnen keuzes rondom vermogensetikettering ook gevolgen hebben bij een toekomstige verkoop van je woning.
Wil je weten of jouw werkruimte fiscaal kwalificeert en welke kosten je kunt aftrekken? Neem dan contact op met de adviseurs van ZMGroep. We beoordelen jouw situatie en helpen je bij het maken van een passende fiscale keuze.
Lever je goederen aan klanten in het buitenland of verricht je diensten voor buitenlandse afnemers? Dan kun je te maken krijgen met btw-verplichtingen buiten Nederland. Welk btw-tarief moet je toepassen? In welk land moet je btw betalen? En wie moet de btw uiteindelijk afdragen?
De btw-regels bij internationaal zakendoen zijn niet altijd eenvoudig. De juiste behandeling hangt onder andere af van het soort prestatie, het land van de afnemer en de vraag of je klant een ondernemer of particulier is. In dit artikel zetten we de belangrijkste aandachtspunten voor je op een rij.
In welk land is btw verschuldigd?
De eerste stap is bepalen in welk land jouw levering of dienst voor de btw plaatsvindt. Vindt de prestatie voor de btw in Nederland plaats? Dan gelden in principe de Nederlandse btw-regels. Vindt de prestatie in het buitenland plaats? Dan kun je te maken krijgen met de btw-wetgeving van dat land.
De plek waar je de werkzaamheden feitelijk uitvoert, is niet automatisch de plaats waar de prestatie voor de btw wordt belast. Een dienst die je vanuit Nederland verricht, kan bijvoorbeeld voor de btw toch in een ander land plaatsvinden.
Daarom is het belangrijk om onderscheid te maken tussen:
- het leveren van goederen;
- het verrichten van diensten;
- zakelijke afnemers;
- particuliere afnemers;
- afnemers binnen en buiten de Europese Unie.
Goederen leveren aan een ondernemer binnen de EU
Lever je goederen aan een ondernemer in een andere EU-lidstaat? Dan is meestal sprake van een intracommunautaire levering. Je mag hiervoor het btw-tarief van 0% toepassen wanneer:
- de goederen vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd;
- je afnemer een geldig buitenlands btw-identificatienummer heeft;
- je kunt aantonen dat de goederen daadwerkelijk naar een andere EU-lidstaat zijn vervoerd.
Hoewel je 0% btw berekent, moet je de levering wel opnemen in je Nederlandse btw-aangifte en in de opgaaf intracommunautaire prestaties.
Je buitenlandse afnemer geeft in het eigen land een intracommunautaire verwerving aan en draagt daar de verschuldigde btw af.
Voorbeeld
Je levert goederen aan een ondernemer in Frankrijk. De afnemer beschikt over een Frans btw-identificatienummer en de goederen worden vanuit Nederland naar Frankrijk vervoerd.
Je past in Nederland het btw-tarief van 0% toe. De Franse afnemer geeft de verwerving in Frankrijk aan en berekent daar de Franse btw.
Goederen leveren aan particulieren binnen de EU
Verkoop je goederen aan particulieren in andere EU-lidstaten, bijvoorbeeld via een webshop? Dan is meestal sprake van een afstandsverkoop.
Volgens de hoofdregel bereken je de btw van het land waar de consument woont en waar de goederen naartoe worden vervoerd.
De Europese drempel van € 10.000
Voor ondernemers die alleen in Nederland gevestigd zijn, geldt een gezamenlijke Europese omzetdrempel van € 10.000 per kalenderjaar. Deze drempel geldt voor:
- afstandsverkopen aan consumenten in andere EU-lidstaten;
- bepaalde digitale diensten aan consumenten in andere EU-lidstaten.
Blijft de totale omzet onder € 10.000? Dan mag je onder voorwaarden Nederlandse btw blijven berekenen. Het vervoer van de goederen moet dan wel in Nederland beginnen.
De drempel geldt niet per land, maar voor alle andere EU-lidstaten samen.
Overschrijd je de grens van € 10.000? Dan moet je vanaf het moment van overschrijding de btw berekenen van het land waar de consument woont. Ook in het daaropvolgende kalenderjaar kun je de drempel dan niet toepassen.
Je kunt er ook vrijwillig voor kiezen om de drempel niet toe te passen. Dit kan bijvoorbeeld interessant zijn wanneer het btw-tarief in het land van de consument lager is dan het Nederlandse tarief. Houd er wel rekening mee dat dit extra administratieve verplichtingen kan opleveren.
Buitenlandse btw aangeven via het éénloketsysteem
Moet je bij afstandsverkopen de btw van verschillende EU-lidstaten berekenen? Dan hoef je je niet altijd in ieder land afzonderlijk voor de btw te registreren.
Je kunt gebruikmaken van het éénloketsysteem, ook wel de One Stop Shop of OSS genoemd. Via de Unieregeling geef je de buitenlandse btw aan bij de Nederlandse Belastingdienst. De Belastingdienst zorgt er vervolgens voor dat de btw bij de juiste EU-lidstaten terechtkomt.
Je kunt je voor de Unieregeling aanmelden via Mijn Belastingdienst Zakelijk.
Let er wel op dat je via de OSS-aangifte geen buitenlandse voorbelasting kunt terugvragen. Buitenlandse btw die aan jou in rekening is gebracht, moet je via een afzonderlijk teruggaafverzoek terugvragen.
Goederen leveren buiten de EU
Worden goederen vanuit Nederland naar een land buiten de Europese Unie vervoerd? Dan is sprake van uitvoer.
Over de uitvoer van goederen ben je in Nederland 0% btw verschuldigd. Je moet wel kunnen aantonen dat de goederen de Europese Unie daadwerkelijk hebben verlaten.
Ook deze levering neem je tegen 0% op in je Nederlandse btw-aangifte.
Bij bijzondere handelsconstructies kunnen andere regels gelden. Denk bijvoorbeeld aan:
- ABC-leveringen;
- dropshipping;
- de levering van nieuwe vervoermiddelen;
- goederen die rechtstreeks van een leverancier naar de klant worden verzonden.
Laat bij dergelijke situaties vooraf beoordelen welke btw-regels van toepassing zijn.
Diensten aan een ondernemer binnen de EU
Verricht je een dienst voor een ondernemer in een andere EU-lidstaat? Dan is de dienst volgens de hoofdregel belast in het land van de afnemer.
Je brengt in dat geval geen Nederlandse of buitenlandse btw in rekening. De btw wordt verlegd naar je afnemer. Je vermeldt dit op de factuur en neemt de dienst op in:
- je Nederlandse btw-aangifte;
- de opgaaf intracommunautaire prestaties.
De buitenlandse afnemer geeft de btw vervolgens in het eigen land aan.
Op deze hoofdregel bestaan verschillende uitzonderingen. Dat geldt onder andere voor diensten die betrekking hebben op:
- onroerende zaken;
- evenementen;
- personenvervoer;
- restaurant- en cateringdiensten;
- kortdurende verhuur van vervoermiddelen.
Diensten aan een ondernemer buiten de EU
Diensten aan een ondernemer buiten de Europese Unie zijn volgens de hoofdregel belast in het land waar de afnemer is gevestigd.
Je neemt deze diensten meestal niet op in je Nederlandse btw-aangifte. Je moet wel onderzoeken welke btw-verplichtingen in het land van je afnemer gelden.
Ook hier kunnen uitzonderingen van toepassing zijn. Laat daarom vooraf beoordelen hoe je de dienst op de factuur en in je administratie moet verwerken.
Diensten aan buitenlandse particulieren
Verricht je een dienst voor een particulier in het buitenland? Dan is de dienst volgens de hoofdregel belast in Nederland en bereken je Nederlandse btw.
Ook op deze hoofdregel bestaan veel uitzonderingen, bijvoorbeeld bij:
- diensten rondom onroerend goed;
- vervoersdiensten;
- restaurantdiensten;
- bemiddelingsdiensten;
- digitale diensten;
- bepaalde reclame- en adviesdiensten.
Voor digitale diensten aan particulieren binnen de EU kan de omzetdrempel van € 10.000 van toepassing zijn. Bepaalde diensten aan particulieren buiten de EU zijn juist belast in het land waar de particuliere afnemer woont.
De Nederlandse kleineondernemersregeling
Heb je een jaarlijkse omzet van maximaal € 20.000 die belast is met Nederlandse btw? Dan kun je mogelijk deelnemen aan de kleineondernemersregeling, de KOR.
Wanneer je de KOR toepast:
- breng je geen btw in rekening aan je klanten;
- doe je in principe geen reguliere btw-aangifte;
- kun je de btw op je zakelijke kosten en investeringen niet aftrekken.
De KOR is daarom niet voor iedere ondernemer voordelig. Vooral wanneer je veel investeert of voornamelijk zakelijke klanten hebt, kan deelname financieel ongunstig uitpakken.
De Europese kleineondernemersregeling
Sinds 1 januari 2025 kun je onder voorwaarden ook gebruikmaken van een kleineondernemersregeling in andere EU-lidstaten: de EU-KOR.
Je bepaalt zelf in welke EU-landen je de regeling wilt toepassen. In die landen hoef je dan geen btw in rekening te brengen en geen reguliere btw-aangifte te doen. Daar staat tegenover dat je de betaalde btw in die landen niet kunt aftrekken.
Om de EU-KOR te kunnen toepassen:
- moet je hoofdvestiging in Nederland liggen;
- mag je totale omzet in de Europese Unie maximaal € 100.000 bedragen;
- moet je voldoen aan de nationale omzetgrens van het land waarin je de regeling wilt gebruiken.
Daarnaast moet je ieder kwartaal bij de Nederlandse Belastingdienst rapporteren hoeveel omzet je in de verschillende EU-lidstaten hebt behaald.
Buitenlandse btw terugvragen
Heb je in 2025 als ondernemer btw betaald in een andere EU-lidstaat? Denk bijvoorbeeld aan btw op:
- hotelovernachtingen;
- brandstof;
- taxiritten;
- congreskosten;
- zakelijke goederen of diensten.
Dan kun je deze btw onder voorwaarden via de Nederlandse Belastingdienst terugvragen.
Een verzoek voor de teruggaaf van in 2025 betaalde buitenlandse btw moet uiterlijk vóór 1 oktober 2026 zijn ingediend. Dien je het verzoek te laat in, dan wordt de btw niet meer terugbetaald.
Het terug te vragen bedrag moet per EU-lidstaat minimaal € 50 bedragen. Grotere bedragen kun je soms al gedurende het kalenderjaar terugvragen. Hiervoor geldt een minimumbedrag van € 400 over een periode van ten minste drie maanden.
Laat je vooraf goed adviseren
Internationaal zakendoen biedt veel mogelijkheden, maar kan ook ingewikkelde btw-verplichtingen met zich meebrengen. De hoofdregels lijken soms duidelijk, maar juist de uitzonderingen bepalen vaak hoe je een levering of dienst moet behandelen.
Een verkeerde btw-behandeling kan leiden tot correcties, boetes of registratieverplichtingen in het buitenland. Laat daarom vooraf beoordelen:
- in welk land jouw prestatie voor de btw plaatsvindt;
- welk btw-tarief je moet toepassen;
- of je de btw kunt verleggen;
- welke aangiften en opgaven je moet indienen;
- of registratie of deelname aan de OSS noodzakelijk is.
Doe je zaken met klanten of leveranciers in het buitenland en wil je weten welke btw-regels voor jou gelden? Neem dan contact op met de adviseurs van ZMGroep. We bekijken jouw situatie en helpen je om aan de juiste Nederlandse en buitenlandse btw-verplichtingen te voldoen.
Dit artikel bevat algemene informatie. De btw-behandeling is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van iedere situatie. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend.
Vanaf 1 januari 2027 krijgen werkgevers te maken met een extra heffing op zakelijke personenauto’s met CO₂-uitstoot. Deze zogenoemde pseudo-eindheffing kan grote financiële gevolgen hebben voor organisaties met benzine-, diesel- of hybride leaseauto’s. Voor werkgevers is dit daarom hét moment om het wagenpark kritisch te bekijken.
De overheid wil de overstap naar emissievrij rijden versnellen. Daarom wordt het voor werkgevers vanaf 2027 fiscaal minder aantrekkelijk om werknemers nog een zakelijke brandstofauto ter beschikking te stellen die ook privé of voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. De maatregel geldt niet voor volledig elektrische auto’s en waterstofauto’s.
Wat is de pseudo-eindheffing?
Een pseudo-eindheffing is een bijzondere vorm van loonbelasting. In dit geval betekent het dat de werkgever extra belasting betaalt over een voordeel dat aan de werknemer wordt gegeven: het gebruik van een zakelijke personenauto met uitstoot.
Belangrijk hierbij is dat deze heffing voor rekening van de werkgever komt. De kosten mogen niet worden doorberekend aan de werknemer. De pseudo-eindheffing komt bovendien bovenop de bestaande bijtelling die werknemers betalen wanneer zij een auto van de zaak privé gebruiken.
12% extra heffing per jaar
Vanaf 2027 betaalt de werkgever jaarlijks 12% pseudo-eindheffing over de cataloguswaarde van een zakelijke personenauto met benzine-, diesel- of hybride aandrijving, wanneer deze auto ook privé of voor woon-werkverkeer wordt gebruikt.
Een voorbeeld:
Bij een auto met een cataloguswaarde van € 50.000 bedraagt de extra heffing:
12% x € 50.000 = € 6.000 per jaar
Voor werkgevers met meerdere leaseauto’s kan dit dus snel oplopen tot een aanzienlijke kostenpost.
Woon-werkverkeer telt mee als privégebruik
Een belangrijk verschil met de reguliere bijtelling is dat woon-werkverkeer voor deze pseudo-eindheffing wordt gezien als privégebruik. Dat betekent dat een werknemer die de auto alleen gebruikt voor zakelijke ritten én woon-werkverkeer alsnog onder de regeling kan vallen.
Alleen wanneer een auto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt en niet wordt ingezet voor woon-werkverkeer of ander privégebruik, kan de heffing buiten toepassing blijven. Dit vraagt wel om een goede onderbouwing en duidelijke administratie.
Overgangsregeling tot 17 september 2030
Voor zakelijke personenauto’s met uitstoot die vóór 1 januari 2027 al aan werknemers ter beschikking zijn gesteld, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto’s hoeft de pseudo-eindheffing pas vanaf 17 september 2030 te worden betaald.
Let op: bij een nieuwe terbeschikkingstelling kan de overgangsregeling vervallen. Bijvoorbeeld wanneer een auto overgaat naar een andere werkgever. Wisselen binnen dezelfde werkgever kan onder voorwaarden wel mogelijk zijn.
Wanneer geldt de pseudo-eindheffing niet?
De pseudo-eindheffing geldt niet in alle situaties. De belangrijkste uitzonderingen zijn:
- Volledig elektrische auto’s en waterstofauto’s vallen buiten de regeling.
- Auto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt en niet voor woon-werkverkeer of privéritten worden ingezet, vallen buiten de heffing.
- De maatregel geldt niet voor zzp’ers met een eenmanszaak.
- De regeling ziet op personenauto’s en niet op bijvoorbeeld bestelauto’s of vrachtwagens.
Vervangend vervoer en voorloopauto’s: aandachtspunt voor werkgevers
Een belangrijk discussiepunt is het gebruik van tijdelijk of vervangend vervoer. Denk aan een werknemer met een elektrische leaseauto die tijdelijk een brandstofauto meekrijgt bij schade, onderhoud of vertraging in de levering van een nieuwe auto.
Op dit moment kan ook zo’n tijdelijke brandstofauto onder de pseudo-eindheffing vallen. Dit kan leiden tot extra kosten en administratieve lasten. De Tweede Kamer heeft daarom gevraagd om met de auto- en leasebranche te kijken naar mogelijke oplossingsrichtingen. De heffing zelf is daarmee echter niet van tafel.
Wat betekent dit voor werkgevers?
Voor werkgevers is het verstandig om nu al vooruit te kijken. Leasecontracten lopen vaak meerdere jaren door. Keuzes die in 2026 worden gemaakt, kunnen daarom invloed hebben op de fiscale lasten vanaf 2027 en daarna.
Denk hierbij aan vragen zoals:
- Welke brandstofauto’s staan er nu in het wagenpark?
- Welke contracten lopen door na 1 januari 2027?
- Welke auto’s vallen mogelijk onder de overgangsregeling?
- Is overstappen op elektrisch rijden financieel aantrekkelijker?
- Hoe wordt privégebruik en woon-werkverkeer administratief vastgelegd?
- Welke afspraken zijn er met werknemers over leaseauto’s en mobiliteit?
Nu handelen voorkomt verrassingen
De pseudo-eindheffing kan vanaf 2027 een forse kostenpost worden voor werkgevers. Zeker bij meerdere zakelijke personenauto’s met uitstoot is het belangrijk om tijdig inzicht te krijgen in de financiële gevolgen.
Overstappen op elektrisch rijden kan daarbij niet alleen fiscaal aantrekkelijker zijn, maar ook passen binnen een bredere duurzaamheidsstrategie. Daarnaast kan een goed mobiliteitsbeleid helpen om kosten, administratie en werknemersafspraken overzichtelijk te houden.
Advies nodig over uw wagenpark of mobiliteitsbeleid?
Heeft uw organisatie zakelijke leaseauto’s of een eigen wagenpark? Dan is dit een goed moment om de gevolgen van de pseudo-eindheffing in kaart te brengen.
ZMGroep denkt graag met u mee over de fiscale gevolgen, de administratieve aandachtspunten en mogelijke keuzes voor de komende jaren. Zo voorkomt u verrassingen en kunt u tijdig sturen op een toekomstbestendig mobiliteitsbeleid.
De Belastingdienst brengt belastingrente in rekening als uw (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting (IB) of vennootschapsbelasting (Vpb) 2025 te laat wordt vastgesteld. Voor 2025 bedraagt deze rente 5% en kan deze oplopen vanaf 1 juli 2026.
De belastingrente wordt berekend over de periode vanaf 1 juli 2026 tot zes weken na de dagtekening van de (voorlopige) aanslag. Dit kan een aanzienlijk bedrag worden als u niet tijdig actie onderneemt.
Hoe voorkomt u belastingrente?
U kunt belastingrente voorkomen door:
- Uw aangifte inkomstenbelasting 2025 vóór 1 mei 2026 correct en volledig in te dienen
- Uw aangifte vennootschapsbelasting 2025 vóór 1 juni 2026 in te dienen
- Of vóór deze data een juiste en volledige voorlopige aanslag aan te vragen
Door op tijd te handelen voorkomt u onnodige kosten en houdt u grip op uw liquiditeit.
Hulp nodig?
Wilt u zeker weten dat alles correct en op tijd geregeld is? Wij helpen u graag met het aanvragen van een voorlopige aanslag of het indienen van uw aangifte. Neem gerust contact op met uw vaste contactpersoon of met Casper.
De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap blijft ook in 2026 een belangrijk aandachtspunt voor dga’s. Heb je geld geleend van je eigen BV? Dan kan dit leiden tot belastingheffing als je schuld te hoog is.
De hoofdregel is duidelijk: heb je op 31 december 2026 meer dan €500.000 geleend van je BV (of BV’s), dan betaal je belasting over het meerdere in box 2. Dit wordt gezien als een fictieve dividenduitkering.
Meer dan alleen jouw lening
In de praktijk wordt de regeling vaak onderschat. Dat komt doordat er breder wordt gekeken dan alleen jouw eigen schuld.
Zo tellen ook mee:
- schulden van je fiscale partner
- schulden bij meerdere BV’s (alles wordt opgeteld)
- in sommige gevallen schulden van familieleden
- indirecte leningen, bijvoorbeeld via borgstellingen
Juist deze punten zorgen er vaak voor dat ondernemers ongemerkt boven de grens uitkomen.
Uitzondering voor de eigen woning
Een lening voor je eigen woning telt meestal niet mee voor de €500.000-grens. Hiervoor gelden wel voorwaarden:
- de lening moet voldoen aan de regels voor hypotheekrenteaftrek
- er moet (in de meeste gevallen) een hypotheekrecht zijn gevestigd
Als hier niet aan wordt voldaan, telt de lening alsnog mee. Dit gaat in de praktijk regelmatig mis.
Wat betekent dit financieel?
Over het bedrag boven €500.000 betaal je belasting in box 2:
- 24,5% over de eerste schijf
- 31% over het meerdere
Belangrijk om te beseffen: de schuld blijft bestaan. Je betaalt dus belasting zonder dat je daadwerkelijk geld ontvangt.
2026 is hét moment om te handelen
De peildatum is 31 december 2026. Tot die tijd kun je nog actie ondernemen.
Denk bijvoorbeeld aan:
- (gedeeltelijk) aflossen van de schuld
- dividend uitkeren en daarmee aflossen
- herstructureren van leningen
Welke keuze verstandig is, hangt volledig af van je situatie.
Voorkom verrassingen
In de praktijk zien wij dat ondernemers vaak:
- geen volledig overzicht hebben van hun totale schuldpositie
- uitzonderingen verkeerd toepassen
- te laat actie ondernemen
Dat kan leiden tot een onnodige belastingaanslag.
Hoe kan ZMGroep helpen?
ZMGroep helpt je om tijdig inzicht te krijgen en de juiste keuzes te maken. Zo voorkom je verrassingen en houd je grip op je financiële situatie.
Wat betekent dit voor jou als huiseigenaar of koper?
De fiscale regels rondom de eigen woning blijven complex en veranderen regelmatig. In deze update voor 2026 zetten wij bij ZMGroep de belangrijkste ontwikkelingen voor je op een rij. Zo weet je waar je op moet letten bij het kopen, financieren of bezitten van een woning.
Heeft u momenteel een eenmanszaak, maatschap of vof? Dan kan het in bepaalde situaties aantrekkelijk zijn om uw onderneming onder te brengen in een bv (besloten vennootschap).
Of dat voor u verstandig is, hangt af van verschillende factoren. Niet alleen fiscale regels spelen een rol, maar ook zaken als aansprakelijkheid, bedrijfscontinuïteit en toekomstplannen.
In dit artikel zetten we de belangrijkste aandachtspunten overzichtelijk voor u op een rij.
1. Schenken aan uw kind
Een schenking is een eenvoudige manier om vermogen over te dragen. Door gebruik te maken van vrijstellingen kunt u belasting besparen – zowel nu als later bij uw overlijden.
Jaarlijkse vrijstelling 2026
In 2026 kunt u uw kind belastingvrij schenken:
-
€ 6.908 per jaar
Is uw kind (of diens partner) tussen de 18 en 40 jaar? Dan geldt een eenmalig verhoogde vrijstelling van € 33.129.
Voor een kostbare studie kan de vrijstelling zelfs eenmalig worden verhoogd tot € 69.009.
2. Schenken en erfbelasting besparen
Door tijdens uw leven te schenken, verkleint u uw nalatenschap. Dat kan erfbelasting besparen.
In 2026 gelden voor kinderen de volgende tarieven:
-
10% tot € 158.669
-
20% over het meerdere
Voor (achter)kleinkinderen zijn de tarieven hoger (18% en 36%).
Schenkbelasting kent dezelfde tarieven als de erfbelasting.
3. Papieren schenking
Wilt u schenken, maar het geld nog niet daadwerkelijk overmaken? Dan kunt u kiezen voor een schenking onder schuldigerkenning (papieren schenking).
U erkent dat u een bedrag schuldig bent aan uw kind, dat pas bij overlijden opeisbaar is. Voor erfbelastingbesparing moet u jaarlijks minimaal 6% rente betalen.
Let op:
-
Een notariële akte is noodzakelijk om erfbelasting te voorkomen.
-
De vordering en schuld moeten in box 3 worden aangegeven.
-
In 2026 geldt in box 3 een verschil tussen het forfaitair rendement op de vordering (6%) en de aftrekbare schuld (voorlopig 2,70%).
4. Schenken onder voorwaarden
Wilt u voorkomen dat de schenking bij een echtscheiding bij de schoonfamilie terechtkomt? Dan kunt u een uitsluitingsclausule opnemen.
U kunt ook opnemen dat de schenking herroepbaar is, zodat u financieel niet afhankelijk wordt van uw kind.
5. Bedrijfsopvolging in de familie
Wilt u uw onderneming overdragen aan uw kind? Dan kunnen onder voorwaarden de volgende regelingen van toepassing zijn:
-
Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)
-
Doorschuifregeling (DSR)
In 2026 bedraagt de vrijstelling binnen de BOR:
-
100% tot € 1.543.500
-
75% over het meerdere
De onderneming moet wel actief zijn; beleggingsvermogen valt buiten de regeling.
6. Geld lenen aan uw kind
In plaats van schenken kunt u ook een lening verstrekken.
Belangrijk is dat u zakelijke voorwaarden hanteert:
-
Rente
-
Looptijd
-
Aflossing
-
Zekerheden
Let op box 3
In 2026 wordt in box 3 gerekend met een forfaitair rendement van 6% op uw vordering, terwijl voor uw kind een schuld lager wordt gewaardeerd (voorlopig 2,70%).
7. Eigenwoninglening
Leent u geld voor de eigen woning van uw kind? Dan kan de rente aftrekbaar zijn bij uw kind, mits:
-
De lening in maximaal 30 jaar annuïtair en/of lineair wordt afgelost
-
De lening wordt opgegeven in de aangifte
-
Bij voorkeur een hypotheek wordt gevestigd
- De gemaakte afspraken schriftelijk vastgelegd zijn
8. Lening én schenking combineren
U kunt een lening combineren met een jaarlijkse schenking binnen de vrijstelling. Zo kan uw kind renteaftrek hebben én ontvangt het (een deel van) de betaalde rente belastingvrij terug.
Belangrijk: rente en schenking mogen niet met elkaar worden verrekend.
9. Wlz en vermogen
Let op dat schenkingen invloed kunnen hebben op uw eigen bijdrage voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Hierbij wordt in principe gekeken naar het vermogen van twee jaar eerder. Onder omstandigheden kunt u echter een peildatumverzoek wijziging doen. Dan wordt voor de eigenbijdrage uitgegaan van het actuele (lagere) vermogen.
Dat is gunstig als uw vermogen veel lager is, bijvoorbeeld door schenkingen die u gedaan heeft.
Wilt u weten wat in uw situatie verstandig is?
Schenken en lenen aan kinderen vraagt om maatwerk. Fiscale regels, box 3, erfbelasting, bedrijfsopvolging en uw eigen financiële zekerheid spelen allemaal een rol.
Heeft u vragen of wilt u uw mogelijkheden bespreken? Neem gerust contact met ons op. Wij helpen u graag bij het maken van een doordachte keuze.
Heeft u momenteel een eenmanszaak, maatschap of vof? Dan kan het in bepaalde situaties aantrekkelijk zijn om uw onderneming onder te brengen in een bv (besloten vennootschap).
Of dat voor u verstandig is, hangt af van verschillende factoren. Niet alleen fiscale regels spelen een rol, maar ook zaken als aansprakelijkheid, bedrijfscontinuïteit en toekomstplannen.
In dit artikel zetten we de belangrijkste aandachtspunten overzichtelijk voor u op een rij.
1. Niet-fiscale overwegingen
Beperking van aansprakelijkheid
Bij een eenmanszaak bent u met uw volledige privévermogen aansprakelijk voor schulden van uw onderneming.
Bij een vof zijn vennoten hoofdelijk aansprakelijk.
Bij een maatschap zijn maten aansprakelijk voor hun aandeel.
Bij een bv is de aansprakelijkheid in principe beperkt tot het bedrag dat is geïnvesteerd in de bv (de waarde van de aandelen). Dat betekent dat uw privévermogen beter beschermd is.
Let op: in de praktijk vragen banken vaak om een privéborgstelling bij financieringen. Daarnaast kan er sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid bij onbehoorlijk bestuur of het niet tijdig melden van betalingsproblemen.
Bedrijfsoverdracht en continuïteit
Een onderneming in een bv is doorgaans eenvoudiger over te dragen dan een eenmanszaak of vof.
Bij een eenmanszaak moeten alle activa en passiva afzonderlijk worden overgedragen. Bij een bv kan gekozen worden voor overdracht van aandelen, wat administratief vaak eenvoudiger is.
Bij toekomstige verkoop of opvolging kan een structuur met een holding en werkmaatschappij fiscaal aantrekkelijk zijn. De holding kan dan onder voorwaarden gebruikmaken van de deelnemingsvrijstelling.
2. Fiscale verschillen tussen IB-onderneming en bv
Ondernemen in de inkomstenbelasting (eenmanszaak/vof/maatschap)
De volledige winst wordt belast in box 1 tegen een progressief tarief. U heeft recht op ondernemersfaciliteiten, zoals:
-
Zelfstandigenaftrek (in 2026: € 1.200, starters extra € 2.123)
-
Mkb-winstvrijstelling (12,7% van de winst)
Deze faciliteiten verlagen de belastingdruk, maar zijn de afgelopen jaren sterk afgebouwd.
Onbelast winst oppotten is niet mogelijk: u betaalt jaarlijks belasting over de volledige winst.
Ondernemen via een bv
In een bv wordt de winst eerst belast met vennootschapsbelasting:
-
19% over de eerste € 200.000
-
25,8% over het meerdere
Daarna betaalt u als directeur-grootaandeelhouder (dga) belasting in box 2 wanneer winst wordt uitgekeerd:
-
24,5% tot € 68.843
-
31% over het meerdere
-
Met fiscaal partner geldt het lage tarief tot € 137.686
Hierdoor ontstaat een gecombineerde belastingdruk van ongeveer 38,85% tot 48,80% bij volledige uitkering.
Het grote verschil: u bepaalt zelf wanneer u winst uitkeert. Hierdoor kunt u winst (tijdelijk) in de bv laten zitten.
3. Het gebruikelijk loon
Als dga bent u verplicht uzelf een salaris toe te kennen. In 2026 moet dit minimaal het hoogste zijn van:
-
Het loon uit een vergelijkbare functie
-
Het loon van de best betaalde werknemer in uw bv
-
€ 58.000
Hoe hoger het gebruikelijk loon, hoe kleiner het fiscale voordeel van de bv-structuur.
Voor starters en verlieslijdende bv’s kan onder voorwaarden een lager gebruikelijk loon gelden.
4. Verzekeringen en sociale zekerheid
Een dga met een meerderheidsbelang is meestal niet verzekerd voor werknemersverzekeringen (zoals WW en WIA). U moet zelf voorzieningen treffen voor bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid.
Wel betaalt u een inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). In 2026 bedraagt deze 4,85% tot een maximum van € 3.851.
5. Zakendoen met uw eigen bv
Als dga kunt u geld lenen van uw bv, bijvoorbeeld voor een woning. Dit moet wel tegen zakelijke voorwaarden gebeuren.
Leningen boven € 500.000 (met uitzondering van bepaalde eigenwoningleningen met hypotheekrecht) worden belast als fictief inkomen in box 2.
6. Overstappen naar een bv: ruisend of geruisloos?
Bij omzetting naar een bv moet u in principe afrekenen over stille reserves en opgebouwde oudedagsvoorzieningen (ruisende overgang).
Onder voorwaarden kunt u ook kiezen voor een geruisloze overgang. Daarmee kunt u de fiscale claim naar de toekomst doorschuiven. Dat kan aantrekkelijk zijn, maar heeft ook nadelen.
Welke methode voor u het meest geschikt is, hangt sterk af van uw persoonlijke situatie.
Wanneer is een bv interessant?
Er bestaat geen vaste winstgrens waarbij een bv altijd voordeliger is. Factoren die meespelen zijn onder andere:
-
Hoogte van de winst
-
Hoogte van het gebruikelijk loon
-
Toekomstige investeringen
-
Verkoopplannen
-
Risicoprofiel van de onderneming
-
Aanwezigheid van een fiscale partner
-
Pensioen- en vermogensplanning
Het is altijd maatwerk.
Overweegt u de overstap naar een bv?
Een overstap naar een bv kan financieel aantrekkelijk zijn, maar brengt ook extra verplichtingen en kosten met zich mee. Daarnaast spelen juridische, fiscale en strategische overwegingen een rol.
Wij helpen u graag bij het maken van een weloverwogen keuze.
Heeft u vragen of wilt u weten wat in uw situatie verstandig is? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag met u mee en maken desgewenst een persoonlijke berekening voor uw onderneming.
Een ondernemer die buiten Nederland gevestigd is en geen btw-aangifte doet in Nederland, kan Nederlandse btw terugvragen door digitaal een verzoek te doen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. Vanaf 1 april 2026 geldt daarvoor een aanvullende voorwaarde.
Een ondernemer die buiten Nederland gevestigd is en geen btw-aangifte doet in Nederland, kan Nederlandse btw terugvragen door digitaal een verzoek te doen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. Vanaf 1 april 2026 geldt daarvoor een aanvullende voorwaarde. De niet in Nederland gevestigde ondernemer moet dan bij het verzoek ook de factuur of het invoerdocument voegen als het factuurbedrag (excl. btw) € 1.000 of meer bedraagt. Gaat het om brandstof, dan moet een factuur worden bijgevoegd als het factuurbedrag (excl. btw) € 250 of meer bedraagt. De factuur of het invoerdocument moet zijn opgesteld in het Duits, Frans, Italiaans of Nederlands.
Wanneer wij u van dienst kunnen zijn bij het terug vragen van BTW uit een ander EU-land dan kunt u contact opnemen met Casper Lacroix.