Skip to content

Vanaf 1 januari 2026 geldt een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000 voor goederen. Deze datum is onlangs definitief bevestigd. Wat betekent dit voor u?

Contante betalingen vanaf € 3.000

Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Een contante betaling van bijvoorbeeld € 2.999 blijft wel mogelijk. De ingangsdatum is op 18 november 2025 in de Staatscourant gepubliceerd.

Een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000 volgt in 2027. Dit betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 2027 maar onder de € 10.000 ligt.

Alleen voor handelaren

Het verbod gaat gelden voor alle ondernemers die goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. In alle gevallen zijn contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan.

Let op! Particulieren vallen buiten de verbodsbepaling. Een particulier die bijvoorbeeld via Marktplaats iets verkoopt aan een andere particulier, mag dus nog wel een contante betaling boven de € 3.000 accepteren.

Alleen voor goederen

In eerste instantie gaat het verbod alleen gelden voor de handel in goederen. Een verbod op contante betalingen voor diensten komt in 2027 op basis van Europese regelgeving.

Splitsen transacties

Het heeft geen zin om transacties te splitsen om daarmee de verbodsgrens te ontlopen. Samengestelde transacties vallen ook onder het verbod. Dit geldt bijvoorbeeld als iemand een kunstwerk koopt voor € 7.000 en dit in drie delen betaalt (€ 2.500, € 2.500 en € 2.000).

Wat kunt u of moet u als ondernemer, dga, werkgever of particulier aan het einde van 2025 regelen? Wat verandert er per 2026 waar u nu nog op kunt anticiperen? We geven u tien belangrijke tips.

Let op! Een aantal van de bovengenoemde tips is nog niet definitief en moeten nog door de nieuwe Tweede Kamer en de Eerste Kamer worden goedgekeurd. Daarom overleggen wij graag met u persoonlijk of het verstandig is wel of geen stappen te zetten.

 

Ouderschapsverlof

Met ouderschapsverlof kunnen ouders na de geboorte van een kind wennen aan de nieuwe gezinssituatie. Het verlof moet binnen een jaar na de geboorte worden opgenomen. Bij pleeg- en adoptiekinderen moet het verlof worden opgenomen binnen een jaar nadat het kind in het gezin is opgenomen en voordat het kind acht jaar oud is.

Zelf aanvragen

De werkgever moet het betaalde ouderschapsverlof aanvragen bij het UWV voor de betreffende werkgever Een niet voor de werknemersverzekeringen verzekerde dga moet echter zelf het betaalde ouderschapsverlof aanvragen via Mijn UWV. Het UWV beslist binnen vier weken op een ingediend verzoek. De uitkering van het UWV verloopt in dat geval rechtstreeks aan de dga en dus niet via de bv.

Ander bedrag

Werknemers hebben recht op negen weken betaald ouderschapsverlof. De uitkering voor hen bedraagt 70% van het dagloon, voor de niet voor de werkverzekeringen verzekerde dga’s geldt echter 70% van het minimumloon.

Geen invloed op hoogte gebruikelijk loon

Het bedrag aan betaald ouderschapsverlof dat de dga ontvangt, is niet van invloed op de hoogte van het gebruikelijk loon. Wel mag rekening worden gehouden met het feit dat de dga door het ouderschapsverlof minder uren werkt. Het gebruikelijk loon moet worden gebaseerd op de werkzaamheden over het gehele jaar. Wordt een deel van het jaar niet gewerkt, dan mag het gebruikelijk loon dienovereenkomstig lager worden vastgesteld.

Let op! Dit moet wel aannemelijk gemaakt kunnen worden!

Wat kunt u of moet u als ondernemer, dga, werkgever of particulier aan het einde van 2025 regelen? Wat verandert er per 2026 waar u nu nog op kunt anticiperen? We geven u tien belangrijke tips.

Let op! Een aantal van de bovengenoemde tips is nog niet definitief en moeten nog door de nieuwe Tweede Kamer en de Eerste Kamer worden goedgekeurd. Daarom overleggen wij graag met u persoonlijk of het verstandig is wel of geen stappen te zetten.

 

1. Anticipeer op 12% extra belasting voor fossiele auto’s van de zaak

Vanaf 1 januari 2027 betalen werkgevers een extra belasting van 12% over de cataloguswaarde van fossiele personenauto’s (CO₂-uitstoot groter dan nul) die voor het eerst ook voor privégebruik aan werknemers ter beschikking worden gesteld.
Let op: woon-werkverkeer telt ook als privégebruik!

Voor auto’s die vóór 2027 ter beschikking worden gesteld, geldt de heffing pas vanaf 17 september 2030. Overweeg dus tijdig de overstap naar een emissievrije auto, zeker bij aanschaf of lease met een langere looptijd.

Let op: De bijtelling voor de auto van de zaak blijft bestaan. De lage bijtelling voor emissievrije auto’s vervalt per 2026. Schaft u nog in 2025 een elektrische auto aan, dan profiteert u nog maximaal 5 jaar van de lage bijtelling.


2. Plan de samenstelling van uw vermogen (box 3)

Heeft u privévermogen? Dan bepaalt niet alleen de hoogte, maar ook de samenstelling van uw vermogen hoeveel belasting u betaalt in box 3.
Roerende zaken voor eigen gebruik – zoals inboedel, sieraden of een boot – tellen niet mee in box 3.

Tip: koop roerende zaken vóór 1 januari 2026, zodat deze niet meetellen bij het vermogen op de peildatum.
Heeft u een onroerende zaak verkocht? Zorg dat de notariële overdracht ook vóór 1 januari 2026 plaatsvindt. Dan betaalt u over dat vermogen slechts het lage rendement van banktegoeden, in plaats van het hogere tarief van 7,78%.

Let op: Advies over box 3 is altijd maatwerk. Bespreek uw persoonlijke situatie met uw adviseur.


3. Controleer of u de tegenbewijsregeling box 3 kunt toepassen

Is uw werkelijk rendement lager dan het door de Belastingdienst vastgestelde rendement? Dan kunt u mogelijk gebruikmaken van de tegenbewijsregeling box 3.
Deze regeling geldt in principe voor de jaren 2017 t/m 2027.

Voor de jaren 2017–2020 is dit alleen mogelijk als uw definitieve aanslag op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk was en u tijdig bezwaar heeft gemaakt of ambtshalve vermindering heeft aangevraagd.

De Belastingdienst verstuurt hierover vanaf juli 2024 brieven. Zodra u deze ontvangt, neem direct contact op met uw adviseur – de reactietermijn kan beperkt zijn tot 12 weken.

Let op: Bij het berekenen van het werkelijke rendement tellen ook ongerealiseerde waardeveranderingen mee.

Tip: Is uw werkelijk rendement hoger? Dan hoeft u niets te doen.


4. Dividend uitkeren of nog niet?

In 2025 bedraagt het box 2-tarief:

Overweeg om dividenduitkeringen te spreiden en gebruik te maken van de lagere schijf. Plan daarom uw dividendbeleid voor de komende jaren zorgvuldig.


5. Anticipeer op btw-herzieningsdiensten vanaf 2026

Vanaf 2026 geldt de btw-herzieningsregeling ook voor diensten aan onroerende zaken van minimaal € 30.000 (excl. btw).
Deze regeling geldt voor meerjarige investeringsdiensten, zoals renovaties, verbouwingen en installaties.

Wijzigt binnen vijf jaar (jaar van ingebruikname plus vier) het gebruik van het pand voor btw-belaste of btw-vrijgestelde prestaties, dan moet de btw-aftrek worden herzien.

Tip: Neemt u de dienst vóór 1 januari 2026 in gebruik, dan valt deze buiten de nieuwe regeling.
De grens van € 30.000 geldt per dienst.


6. Handhaving op schijnzelfstandigheid

Vanaf 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer actief op schijnzelfstandigheid. Vanaf 2026 kunnen ook boetes worden opgelegd, zelfs zonder opzet of kwade trouw.

Controleer uw samenwerking met zzp’ers:

Let op: De praktijk is doorslaggevend, niet het contract.


7. Koop tweede woning pas in 2026

Koopt u een woning die u niet zelf bewoont (bijv. voor verhuur aan uw kind)? Wacht – indien mogelijk – tot na 2025.
Vanaf 2026 daalt de overdrachtsbelasting voor dergelijke woningen van 10,4% naar 8%.

Voorbeeld: bij een woning van € 500.000 scheelt dit al € 12.000.


8. Benut uw vrije ruimte (werkkostenregeling)

Binnen de werkkostenregeling (WKR) kunt u werknemers belastingvrij vergoedingen geven zolang u binnen de vrije ruimte blijft:

Heeft u nog vrije ruimte over in 2025? Gebruik deze voor bonussen of personeelsvoorzieningen.
Restant vrije ruimte kunt u niet meenemen naar 2026.

Tip: Tot € 2.400 per werknemer per jaar wordt verondersteld dat voldaan is aan de gebruikelijkheidstoets.
Ook dga’s kunnen hiervan profiteren binnen de regels.


9. Koop nog dit jaar een lijfrente

Betaalt u in 2025 voor een lijfrente, dan kunt u deze aftrekken in uw aangifte als u een pensioentekort heeft.
De jaarruimte 2025 bedraagt 30% van het inkomen (maximaal € 35.798).
Heeft u reserveringsruimte uit voorgaande jaren, dan kunt u tot € 42.108 extra gebruiken.

Let op: De betaling moet in 2025 plaatsvinden.
Zo verlaagt u niet alleen uw inkomen in box 1, maar ook uw vermogen per 1 januari 2026 in box 3.


10. Laat uw herinvesteringstermijn niet verlopen

Heeft u in 2022 een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd? Dan moet u deze vóór 31 december 2025 gebruiken voor een nieuwe investering.
Doet u dit niet, dan valt de HIR vrij en betaalt u hierover belasting.

Tip: In bijzondere gevallen is een verlenging van de termijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor uw adviseur.

Tot slot

De hierboven genoemde punten zijn slechts een selectie van de belangrijkste fiscale aandachtspunten voor de komende jaren. Er zijn nog meer wijzigingen, kansen en aandachtspunten die relevant kunnen zijn voor uw situatie.

Wilt u alle fiscale tips en eindejaarstips rustig nalezen?
Klik dan hier

Welke fiscale voorstellen voor ondernemers kwamen op Prinsjesdag 2025 uit het koffertje van minister Heinen van Financiën? Wij zetten tien belangrijke wijzigingen voor u op een rij.

Let op! Een aantal wijzigingen die hieronder worden vermeld, moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd.

 

1. Werkgevers gaan 12% heffing betalen op fossiele personenauto van de zaak

Vanaf 1 januari 2027 bent u als werkgever een pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd wanneer u een personenauto met CO2-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer voor privégebruik en/of woon-werkverkeer. Het doel van deze regeling is om de overstap naar elektrische personenauto’s te versnellen, in lijn met de klimaatdoelen voor 2030. Volledig elektrische personenauto’s en personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen buiten de regeling.

Let op! Woon-werkverkeer wordt expliciet als privégebruik aangemerkt. Dit is dus anders dan bij de berekening van de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak!

Vanaf 1 januari 2027 moet u dus maandelijks een pseudo-eindheffing berekenen. Deze heffing mag u maandelijks voldoen, maar u mag ook wachten met de afdracht tot het tweede loonaangiftetijdvak in 2028. De heffing mag niet worden doorberekend aan de werknemer. Een eigen bijdrage van de werknemer voor privégebruik heeft geen invloed op de hoogte van de heffing.

Let op! Tot 17 september 2030 is geen pseudo-eindheffing verschuldigd over personenauto’s die voor 1 januari 2027 aan werknemers ter beschikking zijn gesteld. Na deze datum geldt de heffing voor alle fossiele personenauto’s met privégebruik.

2. Aanpassingen box 3: hoger rendement, lager vrijgesteld vermogen

Het kabinet voert met ingang van 2026 een aantal aanpassingen door in de huidige box 3-regeling als opmaat naar het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement. De beoogde invoerdatum van het nieuwe stelsel is 1 januari 2028. Hieronder de belangrijkste punten per 1 januari 2026:

3. Diverse wijzigingen in tarieven

Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd daalt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting licht, van 35,82% (2025) naar 35,70% (2026). De tweede schijf stijgt juist licht, van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026). De derde schijf blijft ongewijzigd (49,50%). Voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-leeftijd geldt een verlaging in de eerste schijf van 17,92% (2025) naar 17,80% (2026). De tweede schijf stijgt licht, van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026) en de derde schijf blijft ook hier gelijk (49,50%).

Daarnaast wijzigen de schijflengtes in box 1 van de inkomstenbelasting met een beperkte indexatie. Vanaf een inkomen van € 79.137 is het hoogste tarief van 49,50% van toepassing.

Om werken aantrekkelijker te maken, wordt de maximale arbeidskorting verhoogd van € 5.599 (2025) naar € 5.712 in (2026).

De maximale algemene heffingskorting stijgt licht, van € 3.068 naar € 3.115 (voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-leeftijd van € 1.536 naar € 1.554) en de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting stijgt van € 2.986 naar € 3.032. Ook de ouderenkorting en de alleenstaandeouderkorting stijgen licht.

Voor ondernemers daalt de zelfstandigenaftrek van € 2.470 naar € 1.200; dit sluit aan bij het beleid om fiscale voordelen voor zelfstandigen af te bouwen. Voor ondernemers betekent dit dat de fiscale stimulans voor zelfstandig ondernemerschap verder afneemt. De mkb-winstvrijstelling blijft gelijk op 12,70%.

4. De rapportage verplichting personenmobiliteit wordt versoepeld

De rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM) geldt alleen nog voor ondernemingen met 250 werknemers of meer. Voorheen gold deze verplichting vanaf 100 werknemers, maar op Prinsjesdag is bekendgemaakt dat de grens voor de verplichting verhoogd wordt naar 250 werknemers.

5. Verduidelijking fietsregeling

Sinds 1 januari 2020 geldt een bijtelling van 7% (minus de eventuele eigen bijdrage van de werknemer) voor een fiets van de zaak die een werknemer ook privé gebruikt. Deze bijtelling is verplicht zodra de fiets voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. Het kabinet stelt voor om deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 aan te passen. Wordt de fiets niet of maximaal 10% bij het woon- of verblijfadres van de werknemer gestald, dan is de bijtelling nihil. Dit betekent dat er geen loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is. Zo voorkomt de regeling onbedoelde belastingheffing bij bijvoorbeeld hubfietsen of campusfietsen. Deze regeling geldt overigens ook voor IB-ondernemers.

Let op! Wordt de fiets meer dan 10% bij het woon- of verblijfadres gestald, dan geldt de reguliere bijtelling van 7%. 

6. Overdrachtsbelasting: introductie 8%-tarief in 2026

In 2026 gaan vier tarieven gelden voor de overdrachtsbelasting (al aangenomen in 2024). Het standaardtarief van 2% geldt voor woningen die de koper zelf als hoofdverblijf gebruikt. Starters onder de 35 jaar kunnen onder voorwaarden een vrijstelling van 0% toepassen bij de aankoop van een woning met een marktwaarde tot € 555.000 (2026). Voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen, geldt vanaf 2026 een nieuw tarief van 8%. Denk daarbij aan beleggingsobjecten, vakantiewoningen, woningen voor kinderen of verhuurde woningen.

Let op! Het tarief voor niet-woningen blijft 10,4%. Dit geldt voor bijvoorbeeld commercieel vastgoed, bedrijfspanden en onbebouwde grond.

7. Btw op cultuur, media en sport blijft 9%

Het kabinet heeft besloten het verlaagde btw-tarief van 9% op cultuur, media en sport te behouden. De eind 2024 aangenomen verhoging naar 21% per 1 januari 2026 wordt dus geschrapt. Het behoud van het lage tarief kost structureel € 1,3 miljard. Dat dekt het kabinet door de inflatiecorrectie op de inkomsten- en loonbelasting te beperken.

Let op! Voor logiesverstrekkers (zoals hotels en B&B’s) geldt vanaf 1 januari 2026 echter wel het algemene tarief van 21%. Deze aangenomen btw-verhoging wordt dus niet teruggedraaid.

8. Regeling vervroegd uittreden vanaf 2026 structureel

De tijdelijke RVU-drempelvrijstelling wordt vanaf 2026 structureel voortgezet. Werknemers kunnen hierdoor – onder voorwaarden – tot drie jaar vóór de AOW-leeftijd stoppen met werken en een uitkering ontvangen. Blijft die uitkering binnen het drempelbedrag, dan betaalt de werkgever geen pseudo-eindheffing van 52%.

Naast de voortzetting van de regeling stijgt ook het drempelbedrag met € 300 bruto per maand en indexeert dit bedrag jaarlijks mee met het minimumloon. In 2025 is de RVU-drempelvrijstelling € 2.273 per maand.

De pseudo-eindheffing die betaald wordt voor bedragen boven de RVU-drempelvrijstelling stijgt ook. Boven deze drempel geldt nu nog een pseudo-eindheffing van 52%, maar deze stijgt naar 57,7% in 2026, naar 64% in 2027 en naar 65% vanaf 2028.

9. Fiscaal voordeel groene beleggingen versoberd

Groen beleggen levert nu fiscaal voordeel op via een vrijstelling in box 3. Daarnaast geldt een heffingskorting van 0,1% over het vrijgestelde bedrag. De regeling geldt voor beleggingen in erkende groenfondsen die duurzame en innovatieve projecten financieren.

Vanaf 1 januari 2025 werd dit voordeel al geleidelijk afgebouwd. In 2025 bedraagt de vrijstelling nog € 26.312 (€ 52.624 voor fiscale partners). In 2026 blijft de vrijstelling nog bestaan, maar in 2027 bedraagt deze nog slechts € 200 (€ 400 voor partners). De regeling is daarmee feitelijk afgeschaft.

De heffingskorting blijft in 2027 formeel bestaan, maar door het percentage van 0,1% is het effect marginaal. Eigenlijk zou het fiscale voordeel per 1 januari 2027 worden afgeschaft, maar vanwege uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst schuift de definitieve afschaffing door naar 1 januari 2028.

10. Verduidelijking erf- en schenkbelasting

Er zijn vier maatregelen gepresenteerd op Prinsjesdag 2025 die betrekking hebben op de erf- en schenkbelasting. Hiermee wil het kabinet de belastingpraktijk verduidelijken en oneerlijke situaties voorkomen. De voorgestelde maatregelen zijn:

Bron: SRA

Fietsen en autorijden met belastingvoordeel? Het kan nog steeds, maar de regels veranderen snel. In dit artikel lees je wat je in 2025 moet weten over de fiets van de zaak en de auto van de zaak. Ook geven we je praktische tips en wijzen we op belangrijke fiscale voordelen.

Fiets van de zaak: wat zijn de regels?

1. Bijtelling voor de fiets van de zaak Vanaf 2020 geldt een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs als de fiets ook privé wordt gebruikt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij woon-werkverkeer. De fiets blijft eigendom van de werkgever of wordt geleaset. Leaset de werknemer zelf en krijgt hij/zij de kosten vergoed? Dan geldt dezelfde regeling.

2. Geen reiskostenvergoeding meer Als de werknemer met de fiets naar het werk gaat of zakelijke ritten maakt, is een onbelaste reiskostenvergoeding niet meer mogelijk. Er is dan namelijk geen sprake van een privévervoermiddel.

3. Afspraken en cafetariaregeling Werkgever en werknemer mogen afspraken maken over het gebruik als de fiets wordt gecombineerd met een privévoertuig. Op basis daarvan mag een vaste vergoeding worden gegeven. Ook kan de fiets worden aangeboden via een cafetariaregeling, waarbij brutoloon wordt ingeleverd. De bijtelling van 7% blijft dan wel gelden, maar andere kosten zoals laadkosten kunnen onbelast worden vergoed.

4. Fiets is eigendom werknemer Wordt de fiets verstrekt of vergoed? Dan is het belast loon. Via de werkkostenregeling (WKR) kan dit belastingvrij zijn. Er geldt dan géén bijtelling. Voor zakelijke kilometers kan een vergoeding van € 0,23 per km (2025) worden gegeven.

5. DGA’s en ondernemers De regels gelden ook voor DGA’s. Zelfstandig ondernemers tellen de 7%-bijtelling op bij de winst, maar deze mag niet hoger zijn dan de werkelijke kosten van de fiets.

6. Wat valt onder ‘fiets’? E-bikes, speedpedelecs, racefietsen en mountainbikes vallen onder de regeling. De bijtelling geldt ook bij enkel privégebruik. Let op: rittenregistratie geldt niet voor fietsen.

7. Btw en investeringsaftrek Btw op een fiets is onder voorwaarden aftrekbaar tot € 130. Ondernemers hebben ruimere aftrekmogelijkheden, mits privégebruik goed wordt uitgesloten. Voor zakelijke fietsen gelden ook de KIA en (bij bakfietsen) MIA/Vamil.

8. Handige tip Wil je de fiets na een paar jaar overnemen? Dat kan voordelig: bij 20% afschrijving per jaar is er na enkele jaren een lage overnameprijs. Daarna vervalt de bijtelling en kun je zakelijke kilometers vergoed krijgen.

Auto van de zaak: bijtelling en fiscale voordelen

1. Bijtelling per type auto De standaardbijtelling voor auto’s is 22% van de cataloguswaarde. Voor elektrische auto’s geldt nog een korting, afhankelijk van het jaar van tenaamstelling. In 2025 is de bijtelling voor nieuwe elektrische auto’s:

Vanaf 2026 geldt 22% voor alle auto’s, ook elektrische. Voor auto’s ouder dan 15 jaar geldt een bijtelling van 35% over de waarde in het economisch verkeer. Rijd je minder dan 500 kilometer privé? Dan vervalt de bijtelling helemaal.

2. Milieu-investeringsaftrek (MIA) In 2025 is er geen KIA meer voor auto’s, maar wel MIA voor bepaalde schone voertuigen:

3. Motorrijtuigenbelasting (MRB)

4. BPM en wijzigingen in 2025 Vanaf 2025 wordt ook bpm geheven op elektrische personenauto’s. Alleen elektrische bestelauto’s blijven vrijgesteld. Voor ondernemers geldt geen bpm-vrijstelling meer voor aankopen vanaf 2025.

Secret Link