De Subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- of werkleerplekken aan te bieden aan studenten die praktijkervaring opdoen binnen het bedrijf. Dit geldt onder andere voor mbo-studenten in een BBL-opleiding, hbo-studenten in de techniek of gezondheidszorg, promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s).
Voor het studiejaar 2025–2026 kunnen werkgevers van 2 juni 2026, 09:00 uur, tot en met 17 september 2026, 17:00 uur, subsidie aanvragen via de RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De subsidie bedraagt maximaal € 2.800 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats, afhankelijk van het aantal weken begeleiding.
Voorwaarden op hoofdlijnen
Om in aanmerking te komen voor de subsidie, gelden onder andere de volgende voorwaarden:
- De student volgt een erkende opleiding en heeft een geldige praktijkleerovereenkomst;
- De werkgever is erkend als leerbedrijf via SBB (voor mbo);
- Er is aantoonbare begeleiding geweest, bijvoorbeeld via aanwezigheidsregistratie en begeleidingsverslagen;
- De begeleiding duurde minimaal 40 weken (mbo) of 42 weken (hbo), tenzij er sprake is van een korter traject.
- Een juiste en volledige administratie is essentieel. De RVO voert steekproefsgewijs controles uit. Bij onvolledige gegevens kan de subsidie worden afgewezen of teruggevorderd.
Belangrijke data
- Aanvraagperiode: 2 juni 2026 t/m 17 september 2026, 17:00 uur
- Besluit en uitbetaling: uiterlijk 30 december 2026
Let op: de aanvraag verloopt digitaal via het RVO-loket en vereist eHerkenning niveau 3. Werkgevers kunnen eventueel een intermediair machtigen om de aanvraag in te dienen.
Waarom meedoen?
- Financiële tegemoetkoming voor begeleiding en loonkosten;
- Actieve bijdrage aan praktijkonderwijs en toekomstig vakmanschap;
- Inspirerend voor bedrijven: talentvolle studenten met frisse inzichten.
Van maandag 3 november 2025 9.00 uur tot vrijdag 28 november 2025 17.00 uur kunt u weer de subsidie praktijkleren in de derde leerweg aanvragen.
Voor wie?
Erkende leerbedrijven die een praktijkplaats verzorgen voor een mbo-student in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen in deeltijd (odt)) kunnen voor de subsidie in aanmerking te komen.
Voorwaarden
Voor de subsidie gelden een aantal voorwaarden:
• De student moet een werkzoekende zijn of betaalde arbeid verrichten.
• De student moet tijdens de aanvraagperiode staan ingeschreven in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van DUO.
• De opleiding die de student volgt, moet gericht zijn op het behalen van een volledig diploma, een certificaat of een praktijkverklaring.
• De student moet de opleiding op of na 1 augustus 2023 gestart zijn.
• De opleiding moet zijn opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo).
Let op! De subsidie is niet voor mbo-studenten in de beroepsopleidende leerweg (bol) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Voor deze studenten kan de werkgever mogelijk wel in aanmerking komen voor de Subsidieregeling praktijkleren voor het mbo. Tip! Kijk voor alle voorwaarden hier.
Hoogte subsidie
Per praktijkplaats kan maximaal € 2.700 subsidie gekregen worden. Het uiteindelijke subsidie kan lager zijn. Als er namelijk meer toegekende aanvragen zijn dan het beschikbar budget, wordt dat budget verdeeld over de aanvragen. In 2025 bedraagt het budget € 2.800.000.
Let op! De subsidie wordt maximaal verstrekt over een periode van 52 aaneengesloten weken, waarvan er maximaal 40 voor subsidie in aanmerking komen.
Aanvragen
Aanvragen van de subsidie kan via RVO.nl. Het erkende leerbedrijf moet de subsidie wel aanvragen binnen een jaar na afloop van de praktijkleerplaats.
De regering heeft vandaag het wetsvoorstel ‘Meer zekerheid flexwerkers’ aangeboden aan de Tweede Kamer. Het voorstel moet werknemers met een flexibel contract meer duidelijkheid geven over hun inkomen en werktijden. Ook worden maatregelen genomen om misstanden in de uitzendbranche en draaideurconstructies met tijdelijke contracten tegen te gaan.
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Eddy van Hijum benadrukt het belang van deze hervorming:
“Als je zeker bent van je inkomen en werktijden, geeft dat rust. Het schept ruimte om plannen te maken voor de toekomst. Voor sommige bedrijven en sectoren is onzekere arbeid een verdienmodel geworden. Met dit wetsvoorstel vergroten we direct de bestaanszekerheid van mensen en maken we het moeilijker om hen uit te buiten.”
Belangrijkste maatregelen uit het wetsvoorstel
Gelijke arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten
-
Uitzendkrachten krijgen recht op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als vaste medewerkers.
-
De flexibele fases waarin uitzendkrachten direct ontslagen kunnen worden, worden verkort van 1,5 jaar naar 1 jaar.
-
Deze aanpassing moet vooral arbeidsmigranten en andere kwetsbare groepen beter beschermen tegen uitbuiting.
Strenger optreden tegen draaideurconstructies
-
Tijdelijke contracten mogen alleen nog gebruikt worden voor écht tijdelijk werk.
-
Na drie tijdelijke contracten geldt een verplichte tussenperiode van vijf jaar (nu zes maanden) voordat opnieuw een tijdelijk contract mag worden aangeboden.
-
Uitzonderingen in cao’s worden beperkt.
Afschaffen van nulurencontracten
-
Oproepcontracten maken plaats voor zogeheten bandbreedtecontracten.
-
Hierin wordt een minimum- en maximumaantal uren afgesproken, waarbij het maximum maximaal 130% van het minimum mag zijn.
-
Werknemers mogen oproepen boven dit maximum weigeren en krijgen bij structureel meer werk een contract met hogere vaste uren.
-
Alleen jongeren, scholieren en studenten mogen nog met oproepcontracten werken.
Inwerkingtreding
Als het wetsvoorstel zowel door de Tweede als de Eerste Kamer wordt aangenomen, treedt de nieuwe wet in werking op 1 januari 2027. Een uitzondering is de maatregel over gelijke beloning voor uitzendkrachten, die al per 1 januari 2026 van kracht kan worden.
Hervorming van de arbeidsmarkt
Dit wetsvoorstel maakt deel uit van een bredere hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt. De maatregelen vloeien voort uit afspraken die het kabinet in 2023 maakte met vakbonden en werkgevers, en zijn gebaseerd op aanbevelingen uit het Borstlap-rapport (2020) en het SER-advies (2021).
Met deze hervormingen wil de regering een betere balans creëren tussen zekerheid voor werknemers en flexibiliteit voor ondernemers.
Begin september 2025 past KVK de SBI-codes in het Handelsregister aan. De codes laten zien wat een bedrijf of organisatie doet. Ze gaan veranderen en er komen nieuwe codes bij. Ook jij hebt een of meerdere SBI-codes. Ontdek daarom nu wat je moet doen en weten.
1. Wat moet ik doen?
Controleer in Mijn KVK of de omschrijving van je activiteiten nog klopt. Pas je activiteitenomschrijving aan als deze niet (meer) klopt. Als je wilt kun je zelf een voorstel doen voor een passende SBI-code. Daarna geeft KVK je de juiste SBI-code voor je bedrijf of organisatie.
2. Wat als ik mijn activiteitenomschrijving niet controleer?
Als je activiteitenomschrijving niet (meer) klopt, krijg je ook niet de juiste SBI-code(s). Een verkeerde SBI-code kan leiden tot problemen. Je krijgt mogelijk niet de subsidie waar je recht op hebt, de bank weigert je lening of je betaalt meer geld dan nodig aan je verzekering. De overheid, banken en andere organisaties gebruiken je SBI-code(s) bijvoorbeeld om te bepalen of je een subsidie kunt krijgen, of geld kunt lenen.
3. Wanneer wijzigen de SBI-codes precies?
KVK vervangt op 6 en 7 september 2025 in het Handelsregister waar dat nodig is, de huidige SBI-code(s) door een of meerdere nieuwe. We kijken daarbij naar de omschrijving van je activiteiten en kiezen de SBI-code die daarbij hoort.
4. Wat verandert er?
Sommige codes veranderen helemaal. Daarnaast krijgen codes die uit vier cijfers bestaan er een extra getal bij (een nul). Er waren twee aparte codes voor online verkoop en verkoop via fysieke winkels. Hier is vanaf september nog maar één code voor omdat veel bedrijven fysieke en online verkoop combineren. Er komen ook nieuwe codes bij, zoals de code voor ‘bemiddeling en tussenpersonen’, denk hierbij aan marktplaatsen en vergelijkingssites.
5. Waarom wijzigen de SBI-codes?
De SBI-codes veranderen ongeveer elke 15 jaar. Dit wordt op Europees niveau geregeld. Dit gebeurt omdat er nieuwe bedrijfsactiviteiten ontstaan en oude verdwijnen, zoals bijvoorbeeld videotheken. Door de wijziging passen de codes weer beter bij de werkelijkheid. Ook sluiten de codes zo beter aan bij Europese landen om ons heen. Internationale rapporten en statistieken kunnen dan beter worden vergeleken.
Werkgevers gaan in 2026 meer betalen aan de premies voor de Werkhervattingskas (Whk). Het gaat om de premiecomponenten voor de Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Ziektewet (ZW-flex).
Stijgende percentages
Het gemiddelde premiepercentage voor de WGA stijgt van 0,83% in 2025 naar 0,96% in 2026. Voor de ZW-flex gaat het gemiddelde percentage omhoog van 0,50% naar 0,56%.
De stijging wordt vooral veroorzaakt door een toename van langdurige ziektegevallen, met name onder jonge werknemers. Factoren als longcovid en psychische aandoeningen zorgen voor een hogere instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Let op:
-
De WGA-premie geldt voor alle werknemers waarvoor premies werknemersverzekeringen verschuldigd zijn.
-
De ZW-flex premie geldt alleen voor flexibele en tijdelijke dienstverbanden.
Premieplichtig loon
De hoogte van de Whk-premie is afhankelijk van de omvang van uw onderneming. Hiervoor geldt het gemiddelde premieplichtig loon, dat in 2026 stijgt van €39.600 naar €43.300.
Op basis hiervan wordt bepaald in welke categorie uw bedrijf valt:
-
Kleine werkgever: loonsom in 2024 van maximaal €1.082.500.
-
Middelgrote werkgever: loonsom tussen €1.082.500 en €4.330.000.
-
Grote werkgever: loonsom in 2024 van meer dan €4.330.000.
Belangrijk: in 2026 kijkt men naar de loonsom van 2024.
Beschikking Belastingdienst – actie gevraagd
-
Middelgrote en grote werkgevers ontvangen eind 2025 een beschikking van de Belastingdienst met de hoogte van hun individuele premie.
-
Kleine werkgevers ontvangen geen beschikking, maar krijgen een mededeling van de sectorpremie die voor hen geldt.
Peopleprofs ontvangt deze beschikking of mededeling graag van u. Op die manier kunnen wij in 2026 direct de juiste premie toepassen in de salarisadministratie en voorkomt u fouten of naheffingen.
Eigenrisicodragers: deadline 1 oktober 2025
Bent u eigenrisicodrager voor de WGA of ZW? Dan betaalt u de premies niet via de Belastingdienst.
-
Wilt u stoppen met het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2026? Dien het formulier vóór 1 oktober 2025 in bij de Belastingdienst.
-
Wilt u juist starten als eigenrisicodrager per 1 januari 2026? Ook dan moet u dit vóór 1 oktober 2025 regelen.
Rekenhulp
Het UWV biedt een online rekenhulp waarmee u de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2026 kunt berekenen.
De afgelopen periode zijn er veel veranderingen aangekondigd die van invloed zijn op werkgevers, werknemers en ondernemers. Hieronder lees je tien belangrijke ontwikkelingen op het gebied van lonen en arbeidsrelaties.
1. 52% belasting op bijtelling auto van de zaak met CO₂-uitstoot
Vanaf 2027 wil het kabinet een nieuwe pseudo-eindheffing invoeren:
-
Werkgevers betalen dan 52% belasting over de bijtelling van een auto van de zaak met CO₂-uitstoot.
-
Deze heffing geldt niet voor elektrische auto’s of als de auto niet voor privégebruik beschikbaar is gesteld.
-
Het voorstel wordt naar verwachting op Prinsjesdag gepresenteerd.
2. Wet ‘Meer zekerheid voor flexwerkers’ ingediend
Op 19 mei 2025 is dit wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Belangrijke punten:
-
Uitzendkrachten krijgen gelijke arbeidsvoorwaarden als werknemers van de inlener.
-
De wachttijd van zes maanden na drie tijdelijke contracten wordt verlengd naar vijf jaar.
-
Oproepcontracten worden vervangen door vaste basiscontracten met minimale roosteruren.
3. Nieuwe fiscale regeling voor aandelenopties bij start-ups en scale-ups
Het kabinet werkt aan een regeling waarin:
-
Slechts 65% van het voordeel uit aandelenopties belast wordt.
-
Belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment dat de aandelen worden verkocht.
-
Dit moet het voor start- en scale-ups aantrekkelijker maken om personeel te belonen met opties.1
4. RVU-regeling versoepeld tot en met 2028
De versoepeling van de RVU-heffing blijft nog drie jaar langer gelden:
-
Tot en met 2028 geldt geen 52%-heffing tot een maandbedrag van € 2.273.
-
Dit geldt alleen bij een gerichte inzet voor zwaar werk.
-
De drempel wordt verhoogd met € 300 per maand.
-
De RVU-heffing zelf stijgt vanaf 2026 stapsgewijs naar 65% in 2028.
5. Verhoging minimumjeugdloon en afschaffing bbl-loonstaffel
Per 1 januari 2027 gaan de minimumjeugdlonen omhoog. Enkele aanpassingen:
-
20-jarigen: van 80% naar 87,5% van het wettelijk minimumloon
-
19-jarigen: van 60% naar 75%
-
18-jarigen: van 50% naar 62,5%
-
17-jarigen: van 39,5% naar 50%
-
16-jarigen: van 34,5% naar 40%
Ook wordt de bbl-loonstaffel afgeschaft, waardoor bbl-studenten recht krijgen op het volledige minimumjeugdloon. Daarnaast wordt het inhoudingspercentage voor huisvestingskosten vanaf 2026 jaarlijks met 5% verlaagd.
6. Belastingrente: massaal bezwaarprocedure gestart
Een rechter oordeelde dat belastingrente op Vpb-aanslagen onredelijk hoog kan zijn.
-
Alle bezwaren tegen belastingrente (vanaf 1 oktober 2020) vallen nu onder een massaalbezwaarprocedure.
-
De Belastingdienst behandelt deze pas na een definitieve uitspraak in de rechtspraak.
-
Let op: je moet nog steeds tijdig bezwaar maken (binnen zes weken na de aanslag).
7. Toelatingsstelsel voor uitzendbureaus vanaf 2027
Vanaf 1 januari 2027 geldt een nieuw stelsel:
-
Alleen toegelaten uitleners mogen nog arbeidskrachten inzetten.
-
Voor toelating is nodig: een VOG, een waarborgsom (€ 100.000, voor starters € 50.000), en naleving van relevante wetgeving.
-
Inleners mogen alleen nog personeel inhuren via toegelaten bureaus.
8. Wetsvoorstel Vbar & initiatiefwet Zelfstandigenwet
Op 7 juli 2025 is het wetsvoorstel Vbar ingediend. Belangrijke punten:
-
Duidelijkere criteria voor werknemerschap versus zelfstandigheid.
-
Rechtsvermoeden: bij een uurtarief onder € 36 mag een zzp’er stellen dat hij werknemer is; de opdrachtgever moet dan aantonen dat dat niet zo is.
Daarnaast ligt er een initiatiefwet met: -
Twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets
-
Een nieuwe toetsingscommissie voor meer duidelijkheid
-
Ook hierin wordt een rechtsvermoeden bij lage tarieven voorgesteld.
9. Aanpassingen in loonkostenvoordelen (LKV)
Per 1 januari 2026 verandert de doelgroep voor loonkostenvoordelen:
-
Structureel recht op LKV voor werknemers uit de banenafspraak.
-
Geen doelgroepverklaring meer nodig.
-
Wajongers zonder arbeidsvermogen en mensen met een IVA-uitkering vallen voortaan ook onder deze regeling.
-
Voor scholingsbelemmerden en beschut werk vervalt het recht op LKV.
10. Voorstel: vereenvoudigde inlenersaansprakelijkheid
Het kabinet wil de Belastingdienst meer mogelijkheden geven om inleners aansprakelijk te stellen:
-
De aansprakelijkheid kan worden vastgesteld op 35% van de factuursom, zonder nader onderzoek.
-
Uitzendbureaus in het register gelden automatisch als uitlener.
-
In beide gevallen komt er een mogelijkheid voor tegenbewijs.
Een kantoor aan huis is handig en kan fiscale voordelen opleveren, maar de Belastingdienst stelt duidelijke voorwaarden. Of je recht hebt op aftrekposten of btw-teruggave, hangt onder andere af van de inrichting van je werkruimte, de rechtsvorm van je onderneming (zoals een bv of eenmanszaak) en het zakelijke gebruik van de ruimte. In dit artikel lees je waar je op moet letten.
Wanneer is een werkruimte fiscaal kwalificerend?
Een werkruimte is alleen fiscaal voordelig als deze kwalificerend is. Dat betekent dat aan twee voorwaarden moet worden voldaan:
Zelfstandigheidseis
De ruimte moet duidelijk zelfstandig zijn. Denk aan een eigen ingang en eigen sanitair, zodat de werkruimte ook aan een derde te verhuren zou zijn. Een werkkamer in je woonkamer of zolder voldoet hier niet aan. Een verbouwde garage met eigen toegang kan dat wel zijn.
Inkomenseis
Een groot deel van je inkomen moet je in of vanuit deze ruimte verdienen:
-
Bij één werkplek: minimaal 30% in én 70% vanuit de ruimte
-
Bij meerdere werkplekken: minimaal 70% van je inkomen in de werkruimte thuis
Voor eenmanszaken, vof of maatschap
Privévermogen
-
Is de werkruimte niet kwalificerend? Dan mag je de kosten niet aftrekken en geldt de eigenwoningregeling.
-
Is de werkruimte wél kwalificerend? Dan mag je een vast percentage van de WOZ-waarde (6,04% in 2024) aftrekken, net als energiekosten, onderhoud en verzekeringen. Inrichtingskosten zijn niet aftrekbaar, maar mogelijk wel in aanmerking voor investeringsaftrek en btw-teruggaaf.
Ondernemingsvermogen
-
Bij etikettering als ondernemingsvermogen zijn meer kosten aftrekbaar.
-
Heb je de volledige woning als ondernemingsvermogen opgevoerd, dan geldt een bijtelling voor privégebruik (1,2% van de WOZ-waarde).
-
Bij gesplitste etikettering (alleen de werkruimte zakelijk) vervalt die bijtelling bij een kwalificerende werkruimte.
-
Bij huur: een evenredig deel van de huur en kosten is aftrekbaar als de werkruimte kwalificeert.
Voor ondernemers met een bv
Kwalificerende werkruimte
De ruimte wordt door jou, als dga, ter beschikking gesteld aan je bv.
-
Voor de bv is de vergoeding aftrekbaar van de winst.
-
Voor jou valt de vergoeding in box 1 (tbs-regeling), met recht op een vrijstelling van 12%.
-
De werkruimte valt buiten de eigenwoningregeling en wordt apart aangegeven.
Niet-kwalificerende werkruimte
De ruimte blijft deel uitmaken van je eigen woning.
-
Een vergoeding van de bv aan de dga geldt als loon.
-
Dit loon kan ondergebracht worden in de werkkostenregeling. Binnen de vrije ruimte is dat belastingvrij voor de bv. Overschrijding leidt tot 80% eindheffing.
Btw-regels
Eenmanszaak/vof
Gebruik je de ruimte zakelijk en lever je btw-belaste prestaties? Dan kun je de btw op bijvoorbeeld energie, inrichting en onderhoud (gedeeltelijk) terugvragen.
Bv/dga
Bij verhuur aan de bv is btw-aftrek bij onzelfstandige werkruimtes vaak niet toegestaan, al is daar discussie over. Overleg met je adviseur om misverstanden of naheffingen te voorkomen.
Een scheiding is al ingewikkeld genoeg, maar als je een eigen onderneming hebt, komt er nóg meer bij kijken. Of je nu een eenmanszaak of een bv hebt, je bedrijf speelt vaak een belangrijke rol bij de financiële en juridische afwikkeling van de scheiding. In dit artikel geven we antwoord op vragen.
Huwelijksvermogensregime: wat is van wie?
De manier waarop jullie vermogen verdeeld wordt, hangt af van hoe je bent getrouwd:
-
Tot 2018: was je getrouwd in algehele gemeenschap van goederen? Dan is in principe alles gemeenschappelijk, ook je bedrijf.
-
Na 2018: ben je getrouwd zonder voorwaarden, dan geldt de beperkte gemeenschap van goederen. Vermogen dat je vóór het huwelijk had – zoals je onderneming – blijft in principe van jou.
-
Huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden: hebben jullie afspraken gemaakt? Dan geldt wat daarin is vastgelegd, bijvoorbeeld over het verrekenen van vermogen of de waarde van de onderneming.
Tip: Controleer regelmatig of je huwelijksvoorwaarden nog passen bij jouw situatie als ondernemer.
Rechtsvorm van de onderneming
De gevolgen van een scheiding verschillen per rechtsvorm:
-
Eenmanszaak: valt (bij gemeenschap) volledig in de te verdelen boedel.
-
Vof of maatschap: ook hier kan je partner recht hebben op een deel van de waarde.
-
BV: dan wordt gekeken naar wie de aandelen bezit. Ook als jij de enige aandeelhouder bent, kan jouw partner recht hebben op de helft van de waarde van de aandelen.
Werkten jullie samen in het bedrijf? Is de onderneming tijdens het huwelijk flink gegroeid? Dan is er mogelijk recht op vergoeding of verrekening.
Waardering en verdeling van het bedrijf
Bij de verdeling wordt gekeken naar de waarde van de onderneming of de aandelen, mits deze in de gemeenschap vallen. Een onafhankelijke waardebepaling is hierbij belangrijk.
Let op: het uitkopen van je partner kan een flinke impact hebben op de liquiditeit van je bedrijf. Soms worden alternatieven gezocht, zoals:
-
De partner houdt tijdelijk aandelen;
-
Verrekening via andere bezittingen;
-
Overname van schulden in ruil voor het bedrijf.
Belangrijk: controleer of er bij zakelijke financieringen privézekerheden zijn afgegeven (bijvoorbeeld hypotheek op de woning).
Pensioenrechten en verdeling
Je partner heeft in principe recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd, en op een bijzonder partnerpensioen.
Heb je pensioen in eigen beheer opgebouwd (voor 2020)? Dan moet je partner misschien gecompenseerd worden, zeker als jij hebt gekozen voor afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting.
Let op: Pensioenverevening kan worden uitgesloten of anders worden verdeeld als jullie dat schriftelijk vastleggen in de huwelijkse voorwaarden of het echtscheidingsconvenant.
Alimentatie: hoe wordt dat berekend?
Partneralimentatie
Wanneer één van de ex-partners onvoldoende inkomsten heeft, kan de ander verplicht zijn partneralimentatie te betalen. De duur hangt af van het moment van scheiden en persoonlijke omstandigheden.
Let op: Partneralimentatie is aftrekbaar voor de betaler en belast bij de ontvanger.
Kinderalimentatie
De hoogte wordt berekend op basis van het netto gezinsinkomen ten tijde van de scheiding. Ook wordt rekening gehouden met de zorgverdeling (zorgkorting) en eventuele oppaskosten.
Let op: Kinderalimentatie is niet aftrekbaar voor de betaler en onbelast voor de ontvanger.
Specifiek voor ondernemers
Voor ondernemers wordt bij alimentatie gekeken naar meer dan alleen jaarcijfers. Ook kasstromen, prognoses en de sector zijn van belang. Voorkom dubbeltellingen (bijvoorbeeld als de waarde van het bedrijf én toekomstige inkomsten dubbel meetellen).
Fiscale gevolgen van de scheiding
Fiscaal partnerschap
Je bent geen fiscaal partner meer zodra je apart woont én een scheidingsverzoek is ingediend. Tot het einde van dat jaar kun je er nog wél voor kiezen om samen aangifte te doen.
Onderneming en belasting
-
Doorschuiffaciliteit: je kunt onder voorwaarden voorkomen dat je direct belasting moet betalen over het deel van je onderneming dat naar je ex-partner gaat.
-
TBS-regeling: als je een pand of vermogen aan je eigen bedrijf beschikbaar stelt, kunnen er bij scheiding belastinggevolgen optreden.
-
Aanmerkelijk belang: als één van jullie minder dan 5% van de aandelen houdt na de scheiding, kan dit leiden tot fiscale afrekening (tenzij er wordt doorgeschoven).
-
Eigen woning: de renteaftrek kan vervallen voor degene die vertrekt, tenzij de ex-partner in de woning blijft (maximaal twee jaar).
Let op: Laat je goed begeleiden om vervelende verrassingen te voorkomen.
De Wet tegenbewijsregeling box 3 is op 8 juli 2025 aangenomen door de Eerste Kamer. De regels voor het tegenbewijs zijn nu dus definitief. Met het formulier OWR, dat inmiddels via Mijn Belastingdienst beschikbaar is, kun je een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Wij kunnen dat namens jou op korte termijn via onze aangiftesoftware doen.
Hoge Raad: aanvullend rechtsherstel box 3
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijke vastgestelde rendement. De Hoge Raad gaf daarbij, en ook in latere arresten, aanwijzingen hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden.
Wet tegenbewijsregeling box 3
De Wet tegenbewijsregeling box 3 is gebaseerd op de aanwijzingen van de Hoge Raad. Als het werkelijk rendement lager is dan het wettelijk vastgestelde rendement kun je mogelijk een beroep doen op deze tegenbewijsregeling.
Let op! Is jouw werkelijke rendement hoger, dan hoef je niets te doen. Gelukkig hoef je dan niet meer box 3-heffing te betalen dan op basis van het wettelijk vastgestelde rendement. Niet iedereen komt voor de tegenbewijsregeling box 3 in aanmerking. Wij verwijzen je hiervoor naar onze eerdere bijdrage
Brieven Belastingdienst
Om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling, moet je verplicht gebruikmaken van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR). Is je aanslag inkomstenbelasting over het betreffende jaar nog niet definitief, dan krijg je van de Belastingdienst een brief. In deze brief staat dat je gebruik kunt maken van de tegenbewijsregeling.
Let op! De Belastingdienst stuurt deze brief naar jou als belastingplichtige, en niet naar ons als jouw adviseur. Ontvang je zo’n brief en wil je dat wij voor je nagaan of je in aanmerking komt voor de tegenbewijsregeling en/of wij het formulier OWR voor je vullen , lever deze dan zo spoedig mogelijk bij ons in. Je krijgt namelijk maar een beperkte termijn om het formulier OWR in te vullen. Dat is 26 weken als wij de aangifte voor je hebben ingediend en 12 weken als je zelf de aangifte indiende.
Houd er rekening mee dat je per belastingjaar een brief krijgt van de Belastingdienst. Die brieven komen waarschijnlijk ook niet allemaal tegelijk.
Loopt er bezwaar of een verzoek om ambtshalve vermindering tegen een of meerdere belastingjaren? Dan ontvang je van de Belastingdienst een brief om dit bezwaar of verzoek te motiveren. Deze brief kan meerdere belastingjaren bevatten. Lever ook deze motiveringsbrief snel bij ons in na ontvangst. De maximale reactietermijn voor deze brieven is namelijk maar 12 weken.
Verzamel alvast jouw gegevens
Wil je een beroep doen op de tegenbewijsregeling, verzamel dan alvast de gegevens die nodig zijn voor de berekening en onderbouwing van het werkelijke rendement. Dat voorkomt straks vertraging waardoor mogelijk de inlevertermijn van het formulier OWR niet gehaald wordt.
Definitieve aanslag
Ontvangt je een definitieve aanslag? Dan kan het verstandig zijn om tijdig bezwaar te maken tegen deze aanslag. In sommige gevallen is het formulier OWR misschien onvoldoende. Neem daarom bij ontvangst van een definitieve aanslag contact met ons op om met ons na te gaan wat in jouw situatie verstandig is te doen.
De Belastingdienst heeft op 30 juni 2025 extra toelichting gegeven over hoe werkgevers de zogenoemde doelmatigheidsgrens van € 2.400 binnen de Werkkostenregeling (WKR) mogen toepassen. Deze uitleg schept meer duidelijkheid over wanneer vergoedingen en verstrekkingen als gebruikelijk worden beschouwd, en dus zonder discussie als eindheffingsloon kunnen worden aangewezen.
Wat is de gebruikelijkheidstoets?
Binnen de WKR kan een werkgever bepaalde vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen aanwijzen als eindheffingsloon. Hierdoor worden deze kosten niet individueel belast bij de werknemer, maar vallen ze onder de vrije ruimte van de WKR. Deze ruimte bedraagt in 2025:
-
2% van de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom;
-
1,18% over het meerdere.
Boven deze vrije ruimte betaalt de werkgever een eindheffing van 80%.
De gebruikelijkheidstoets stelt echter een grens: alleen zaken die maximaal 30% afwijken van wat gebruikelijk is binnen vergelijkbare omstandigheden, mogen als eindheffingsloon worden aangewezen. Dat maakt het soms lastig te bepalen wat nu wel of niet binnen de WKR past.
Doelmatigheidsgrens van € 2.400 per werknemer per jaar
Om werkgevers hierin te ondersteunen, hanteert de Belastingdienst een doelmatigheidsgrens van € 2.400 per werknemer per jaar. Deze grens functioneert als een veilige haven: alles wat binnen dit bedrag valt, wordt automatisch als gebruikelijk beschouwd. De Belastingdienst zal hier dus geen verdere toets op uitvoeren.
Let op: Dit bedrag geldt per werknemer per jaar en mag gebruikt worden ongeacht het soort kosten. Denk aan:
-
bonussen;
-
eindejaarsuitkeringen;
-
kostenvergoedingen die niet onder een gerichte vrijstelling vallen.
Wat telt wel en niet mee binnen de € 2.400?
Niet meetellen voor de € 2.400-grens:
-
Vergoedingen die onder een gerichte vrijstelling vallen, zoals reiskosten woon-werkverkeer tot € 0,23 per kilometer.
-
Vergoedingen of verstrekkingen waarvan de gebruikelijkheid vooraf is afgestemd met de Belastingdienst, zoals een vooraf goedgekeurde fietsregeling.
Wel meetellen voor de € 2.400-grens:
-
Vergoedingen of verstrekkingen waarvoor de gebruikelijkheid nog niet duidelijk is of die niet onder een gerichte vrijstelling vallen.
Praktische voorbeelden
Voorbeeld 1 – Binnen de veilige haven:
Een werkgever vergoedt:
-
€ 1.500 reiskosten (gerichte vrijstelling)
-
€ 2.000 voor een fietsregeling (afgestemd met de Belastingdienst)
Daarnaast ontvangt de werknemer een eindejaarsuitkering van € 2.400. Omdat de eerste twee vergoedingen buiten de doelmatigheidsgrens vallen, blijft de eindejaarsuitkering van € 2.400 precies binnen de veilige haven. De Belastingdienst zal hierover geen discussie voeren.
Voorbeeld 2 – Boven de veilige haven:
Een werkgever keert een bonus uit van € 4.000 en wil dit volledig aanwijzen als eindheffingsloon. Er zijn verder geen andere vergoedingen of verstrekkingen. De eerste € 2.400 valt binnen de doelmatigheidsgrens, maar de resterende € 1.600 zal worden getoetst op gebruikelijkheid. De kans is groot dat de Belastingdienst dit bedrag niet gebruikelijk vindt, waardoor het mogelijk belastbaar wordt bij de werknemer.
Belang voor de praktijk
De nieuwe uitleg van de Belastingdienst biedt werkgevers meer zekerheid. Binnen de grens van € 2.400 per werknemer per jaar kunnen ze zonder risico vergoedingen aanwijzen als eindheffingsloon. Boven dit bedrag is het verstandig om vooraf overleg te voeren met de Belastingdienst of goed te onderbouwen waarom de vergoeding of verstrekking gebruikelijk is binnen de organisatie of branche.
Samenvattend
-
De € 2.400-grens is een praktische richtlijn die werkgevers helpt om binnen de WKR veilig te opereren.
-
Binnen deze veilige haven toetst de Belastingdienst niet op gebruikelijkheid.
-
Daarboven blijft de gebruikelijkheidstoets gelden, en kan belastingheffing alsnog volgen.
Tip: Maak per werknemer jaarlijks een overzicht van alle vergoedingen die je aanwijst als eindheffingsloon, zodat je weet of je binnen of boven de € 2.400-grens zit. Dat voorkomt verrassingen bij een controle.