Skip to content

Een recente uitspraak van de kantonrechter benadrukt opnieuw het belang van een zorgvuldig geformuleerde arbeidsovereenkomst. Een zorginstelling kwam bedrogen uit toen bleek dat de proeftijd van een nieuwe werkneemster niet rechtsgeldig was. Het gevolg: een billijke vergoeding van €17.000.

 

Wat was er aan de hand?

Een 63-jarige werkneemster trad in dienst bij een zorginstelling op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na slechts vier weken werd ze ontslagen, zogenaamd binnen de afgesproken proeftijd. In werkelijkheid had zij in die periode slechts drie dagen gewerkt, vanwege een vooraf besproken vakantie van drie weken.

De arbeidsovereenkomst vermeldde een contractduur van “6 maanden”, met een einddatum van 2 juli 2025. Dit leidde tot verwarring: ging het nu om precies 6 maanden of om 6 maanden en 2 dagen? Deze nuance bleek cruciaal, want bij een arbeidsovereenkomst van exact 6 maanden is het wettelijk niet toegestaan om een proeftijd af te spreken.

 

Rechter: proeftijd nietig

De kantonrechter stelde vast dat de arbeidsovereenkomst onvoldoende duidelijk was. Onzekerheid over de duur komt in arbeidszaken doorgaans voor rekening van de werkgever. Het gevolg: de proeftijd werd als ongeldig beschouwd. De werkgever kon zich hier dus niet op beroepen om het dienstverband per direct te beëindigen.

Daarnaast vond de rechter dat de zorginstelling onvoldoende moeite had gedaan om de onvrede over de werktijden en roosterwensen van de werkneemster op te lossen.

Billijke vergoeding toegekend

De werkneemster wilde niet terugkeren naar haar werkgever en vroeg de kantonrechter om een billijke vergoeding van €30.000. De rechter kende haar uiteindelijk een vergoeding van €17.000 toe. Dat bedrag komt ongeveer overeen met het salaris dat ze had verdiend als ze tot het einde van het contract in dienst was gebleven.

De werkneemster had daarnaast ook recht op een kleine transitievergoeding van €83,80, vanwege de zeer korte duur van het dienstverband.

 

Voorkom juridische valkuilen – schakel PeopleProfs in

Deze zaak laat zien hoe snel onduidelijkheden in een arbeidsovereenkomst kunnen leiden tot grote financiële gevolgen. PeopleProfs helpt organisaties met heldere, juridisch correcte arbeidsovereenkomsten en HR-advies op maat. Zo voorkom je discussies over proeftijden, contractduur en ontslagprocedures.

Op een bepaald moment komt voor veel ondernemers de vraag op: “Wat ga ik met mijn bedrijf doen in de toekomst?” Of het nu is vanwege uw leeftijd, gezondheid, financiële motieven of simpelweg de wens om het rustiger aan te doen – de overdracht van uw bedrijf is een belangrijke stap die zorgvuldige voorbereiding vereist. Een succesvolle bedrijfsoverdracht vergt namelijk jaren van planning en afstemming. Begin daarom op tijd en bespreek uw wensen met uw vaste adviseur.

 

De acht fasen van een succesvolle bedrijfsoverdracht

Een bedrijfsoverdracht verloopt doorgaans in acht fasen. Hieronder zetten we deze stapsgewijs uiteen:

1. Uw wensen in kaart brengen

Voordat u het verkoopproces ingaat, is het belangrijk om uw persoonlijke en financiële doelen te bepalen. Wilt u het bedrijf verkopen aan een familielid, een werknemer of een externe partij? En wat wilt u zelf gaan doen na de verkoop? Deze vragen vormen de basis voor een gericht en effectief overdrachtstraject.


2. De voorbereiding

In deze fase wordt uw onderneming grondig geanalyseerd. Denk hierbij aan de marktpositie, financiële gezondheid, juridische structuur en interne organisatie. De uitkomsten worden vastgelegd in een informatiememorandum dat later met serieuze kopers gedeeld kan worden.


3. Verkoopklaar maken

Een goed verkoopbaar bedrijf is financieel gezond en overzichtelijk gestructureerd. Zorg daarom voor heldere jaarrekeningen over de afgelopen vijf jaar en een schone balans. Activa die u ook privé gebruikt, moet u waarderen en eventueel overnemen. Een juiste verhouding tussen eigen en vreemd vermogen is eveneens belangrijk, net als een sterke juridische en fiscale structuur, zoals een holdingconstructie.


4. Waardebepaling

De waarde van uw bedrijf hangt af van toekomstige opbrengsten, niet van het verleden. Er zijn verschillende methoden om de waarde te bepalen, zoals de intrinsieke waarde, de goodwillmethode of de discounted cashflowmethode. Vaak komt men tot een bandbreedte in plaats van één vast bedrag, mede door subjectieve factoren zoals groeipotentieel en marktkansen.


5. Prijsbepaling

Op basis van de waardebepaling stelt u de verkoopprijs vast. Denk hierbij aan:

Bij verkoop binnen de familie is het belangrijk alert te zijn op fiscale gevolgen. Een te lage verkoopprijs kan worden gezien als schenking, met mogelijke schenkbelasting tot gevolg.


6. Een geschikte koper vinden

De koper kan uit uw netwerk komen, een medewerker zijn, of u vindt hem via externe platforms of adviseurs. Zorg voor een aantrekkelijke bedrijfsprofielschets waarmee u de juiste kandidaten aanspreekt. Laat u hierbij begeleiden als u zelf geen geschikte koper in zicht heeft.


7. Onderhandelen

Bij interesse van een koper start de onderhandelingsfase. Leg alles schriftelijk vast en werk met een geheimhoudingsverklaring. Na akkoord op hoofdlijnen wordt meestal een intentieverklaring opgesteld. Vervolgens vindt het due diligence-onderzoek plaats, waarin de koper alle aangeleverde informatie controleert.


8. De daadwerkelijke verkoop

Na succesvolle onderhandelingen wordt de koopovereenkomst getekend. Bij een bv-overdracht is hiervoor een notaris nodig. De aandelen worden officieel overgedragen en de koopprijs wordt (volledig of deels) uitbetaald. In sommige gevallen blijft u nog enige tijd betrokken, bijvoorbeeld bij een gefaseerde overdracht of bij een prestatieafhankelijke nabetaling.

 

Let op de fiscale gevolgen

Afhankelijk van uw ondernemingsvorm (bv of eenmanszaak) gelden er verschillende fiscale regels. Er bestaan echter diverse regelingen die belastingheffing kunnen uitstellen of beperken, zoals:

Voor 2026 staan wijzigingen gepland in deze regelingen. Raadpleeg ons daarom tijdig voor de meest actuele informatie.

 

Tot slot

De verkoop of overdracht van uw bedrijf is een complex proces met veel facetten: juridisch, financieel, fiscaal én emotioneel. Laat u daarom goed begeleiden. Door vroegtijdig te beginnen en u goed te laten adviseren, vergroot u de kans op een succesvolle en rendabele bedrijfsoverdracht.

Wilt u meer weten over de voorbereiding, waardebepaling of fiscale aspecten? Neem dan contact met ons op.

Als directeur-grootaandeelhouder (dga) bent u in de unieke positie om zakelijke transacties aan te gaan met uw eigen bv. Dit biedt kansen, bijvoorbeeld via leningen, beleggingen of het onderbrengen van een pand, maar vraagt ook om zorgvuldigheid. Fiscale regels, zakelijk handelen en een goede administratie zijn cruciaal om problemen met de Belastingdienst te voorkomen en optimaal te profiteren van de mogelijkheden.

 

Zakelijk handelen is essentieel

Elke transactie tussen u en uw bv moet voldoen aan zakelijke voorwaarden. Vraag uzelf bij iedere overeenkomst af: zou ik deze deal ook sluiten met een onafhankelijke derde partij? Zo voorkomt u dat de Belastingdienst de afspraak als onzakelijk beschouwt, met alle fiscale gevolgen van dien.

Voorbeelden waarbij dit speelt:

Let op bij geld lenen – in beide richtingen

Veel dga’s hebben een rekening-courantverhouding met hun bv. Dit mag onder voorwaarden renteloos blijven zolang het saldo binnen ± € 17.500 blijft. Wordt dat bedrag overschreden, dan moet over het hele saldo rente worden berekend.

Wilt u meer lenen van uw bv, let dan op de zogenoemde ‘dga-tax’: sinds 2023 wordt alles boven de € 500.000 aan schulden bij uw eigen bv (inclusief schulden van uw partner en kinderen in rechte lijn) als inkomen in box 2 belast. De peildatum voor 2025 is 31 december.

Leent u als werknemer van de bv, bijvoorbeeld voor een fiets of woning? Dan gelden specifieke regels voor belastingheffing over het rentevoordeel. Voor een eigenwoninglening is de rente aftrekbaar in box 1, mits er een zakelijke overeenkomst is én voldaan wordt aan de wettelijke aflossingseisen.

Andersom: als u geld leent aan uw bv, dan zijn de ontvangen rentebaten progressief belast in box 1 via de TBS-regeling. Ook hier is het belangrijk dat de lening zakelijk is.

Sparen of beleggen in de bv

Steeds meer dga’s kiezen ervoor om privévermogen onder te brengen in hun bv. Dat kan fiscaal gunstig zijn: het werkelijke rendement in de bv is belast, terwijl u in box 3 met een forfaitair rendement te maken krijgt. Een bijkomend voordeel is dat vermogen in uw bv niet meetelt voor de vermogenstoets bij toeslagen.

 

Investeren in een bedrijfspand: privé of via de bv?

Een veelvoorkomende keuze voor dga’s is het investeren in een eigen bedrijfspand. Dit kan zowel via privé als via de bv:

Let op de afschrijvingsbeperking: sinds 2024 mag op bedrijfspanden niet meer worden afgeschreven als de boekwaarde de WOZ-waarde bereikt.

Studiekosten en personeelsregelingen

Uw bv mag u – of uw kind in dienst – een studiekostenvergoeding geven. Deze is alleen onbelast als de opleiding direct verband houdt met het huidige of toekomstige werk. Behandel uw kind hierin niet gunstiger dan andere werknemers om onzakelijkheid te voorkomen.

Ook het verstrekken van personeelsleningen is mogelijk, bijvoorbeeld voor een fiets of woning. Houd rekening met de fiscale regels rond rentevoordeel, bijtelling en toepassing van de werkkostenregeling.

Dividend en belasting in box 2

Bij dividenduitkeringen geldt vanaf 2025 een tweeschijventarief in box 2:

Let op dat ook bepaalde andere voordelen, zoals onzakelijke leningen, als uitdeling kunnen worden aangemerkt en daarmee ook onder box 2 vallen.

 

Tot slot: benut de kansen, voorkom risico’s

Zakendoen met uw eigen bv kan fiscaal aantrekkelijk zijn, mits u zich aan de regels houdt. Zorg voor goede documentatie, handel altijd zakelijk en laat belangrijke afspraken toetsen door een adviseur. Zo voorkomt u fiscale tegenvallers én benut u de voordelen die deze bijzondere relatie u kan bieden.

Suus over haar opleidingstraject tot AA-accountant: “Je groeit hier samen, niet alleen” Een serieus vak combineren met een fijne sfeer en persoonlijke aandacht? Bij ZMGroep kan het gewoon. Suus (35) uit Baarn werkt als assistent-accountant en volgt de opleiding tot AA-accountant. Ze vertelt hoe ze hier elke dag leert, met een lach.

 

Even voorstellen: wie ben je en wat doe je bij ZMGroep?

“Ik ben Suus, 35 jaar en woon in Baarn. Bij ZMGroep werk ik als assistent-accountant en volg ik de opleiding tot AA-accountant.”

Waarom heb je gekozen voor ZMGroep als leer-werkplek?

“ZMGroep ligt voor mij lekker dichtbij, maar het ging me vooral om de sfeer en kansen. Ik kon hier samen met twee collega’s beginnen aan de opleiding, wat heel motiverend werkte. We hebben elkaar er echt doorheen getrokken. Opleidingen worden hier echt gestimuleerd. En collega’s die al afgestudeerd zijn, helpen je graag op weg.”

Wat maakt ZMGroep anders dan andere kantoren?

“De werksfeer is top. We werken hard, maar er is altijd ruimte voor een grap of een lach. Het team is klein, dus je hebt goed contact met iedereen. Je voelt je hier geen nummer, maar een belangrijk onderdeel van het team. Je werk doet ertoe, voor ZMGroep én voor de klant.”

Hoe ziet de begeleiding eruit in de praktijk?

“Heel prettig. Je krijgt regelmatig feedback, waar je veel van leert. Er is veel kennis op kantoor en je kunt makkelijk bij collega’s terecht met vragen. Die drempel is laag, dat maakt het leerproces heel toegankelijk. Je werkt ook echt mee aan klantdossiers, dus je doet meteen relevante ervaring op.”

Wat heeft je positief verrast tijdens je opleidingstraject?

“De betrokkenheid van collega’s. Toen wij een belangrijke toets Fiscaal moesten voorbereiden, nam een collega de tijd om samen met ons alles door te nemen. Dat soort persoonlijke begeleiding zie je niet overal. Het motiveert enorm.”

Heb je een tip voor studenten die twijfelen om bij ZMGroep te solliciteren?

“Gewoon doen! De sfeer is goed, je krijgt veel begeleiding én je leert veel in de praktijk. Iedereen helpt elkaar, en je voelt je echt gewaardeerd. Als je gemotiveerd bent om te leren en onderdeel wil zijn van een hecht team, zit je hier goed.”

Vanaf 1 januari én 1 juli 2025 veranderen opnieuw de bedragen van het wettelijk minimumloon in Nederland. Sinds 2024 wordt het minimumloon niet meer per maand, maar per uur vastgesteld. Dit zorgt voor meer eerlijkheid tussen fulltimers met verschillende werkweken (bijvoorbeeld 36, 38 of 40 uur). De overheid past het minimumloon twee keer per jaar aan op basis van de cao-loonontwikkeling. In dit artikel lees je welke bedragen gelden in 2025 en wat dit betekent voor werknemers en werkgevers.

Minimumloon Nederland – 2025

Per 1 januari 2025 gelden nieuwe bruto minimumuurlonen (alle bedragen per uur):

Voor jongeren (15–20 jaar) gelden speciale “jeugdlonen”, afgeleid van het volwassen tarief. Jongeren in een BBL-traject ontvangen iets lagere bedragen per halve jaargang – onder andere, 20‑jarigen € 8,65 (jan) ➝ € 8,86 (jul)

Waarom twee verhogingen per jaar?

Sinds 1 januari 2024 is het minimumloon per uur wettelijk verplicht. Vast loon per maand is afgeschaft: het wordt berekend op basis van gewerkte uren en verlofdagen. De halfjaarlijkse aanpassingen volgen loonontwikkelingen in cao’s, met een toename van +2,75 % in januari en +2,42 % in juli 2025

Wat betekent dit voor werknemers en werkgevers?

Belangrijke punten om te onthouden

  1. Tweemaal jaarlijkse aanpassing: 1 januari en 1 juli.

  2. Jeugdlonen werken via leeftijdsschaal (bv. 80 % voor 20‑jarigen).

  3. Geen vast maandloon meer, alleen minimum per uur.

  4. Toeslagen, vakantiegeld en cao-lonen komen bovenop, maar totaal mag het minimumloon niet door onderbetaling ondermijnd worden.

Steeds meer ondernemers leveren producten of diensten aan klanten buiten Nederland. Dat is goed nieuws voor je bedrijf, maar brengt ook extra regels met zich mee – vooral op het gebied van btw. Want zodra je internationaal onderneemt, moet je weten in welk land je btw betaalt, welk tarief je moet gebruiken en hoe je die btw eventueel terugvraagt.

In deze blog leggen we stap voor stap uit wat je moet weten als je binnen of buiten de EU verkoopt, diensten levert of zakelijke kosten maakt.

Waar betaal je btw? In Nederland of in het buitenland?

De eerste vraag is: waar vindt de levering of dienst plaats voor de btw?

Let op: de fysieke plek waar je werkt is niet altijd bepalend voor de btw. De regels verschillen bovendien voor goederen en diensten. Daarom leggen we deze apart uit.

Levering van goederen

Lever je goederen aan een ondernemer in een ander EU-land en heeft die een geldig btw-nummer? Dan mag je meestal het 0% btw-tarief toepassen. Voorwaarden:

Verkoop je via een webshop aan particulieren in andere EU-landen? Dan geldt sinds 1 juli 2021 een drempel van €10.000 omzet per jaar (voor alle EU-landen samen):

Je kunt dit eenvoudig regelen via het éénloketsysteem (OSS) van de Belastingdienst. Daar geef je de buitenlandse btw aan in je Nederlandse aangifte.

Bij export naar landen buiten de EU (zoals de VS of Zwitserland) is meestal het 0% btw-tarief van toepassing. Maar je moet dan wel kunnen aantonen dat de goederen de EU daadwerkelijk hebben verlaten. De levering geef je op in je Nederlandse btw-aangifte.

Let op: voor specifieke situaties zoals dropshipping, ABC-leveringen of nieuwe vervoermiddelen gelden soms andere regels. Vraag bij twijfel advies aan een btw-specialist.

Verrichten van diensten

Hoofdregel: de dienst is belast in het land van de klant. Je verlegt de btw naar de klant en vermeldt “btw verlegd” op de factuur. De klant geeft de btw aan in zijn eigen land. Jij verwerkt de dienst in je btw-aangifte en in de ICP-opgaaf.

Let op: voor diensten m.b.t. vastgoed, evenementen, vervoer of catering kunnen uitzonderingen gelden.

Ook hier geldt meestal dat de dienst belast is in het land van de klant. Je hoeft in Nederland geen btw te berekenen of af te dragen. Informeer wel in het buitenland of daar verplichtingen gelden.

Hoofdregel: de dienst is in Nederland belast. Je rekent dan Nederlandse btw. Voor sommige diensten (zoals advies, reclame of digitale diensten) kunnen afwijkende regels gelden, afhankelijk van het land van de klant. Laat je hierover goed informeren.

Wat als je buitenlandse btw hebt betaald?

Heb je in het buitenland btw betaald op zakelijke kosten, zoals tanken in Duitsland of een hotelovernachting in Frankrijk tijdens een zakenreis? Dan kun je deze btw terugvragen via de Nederlandse Belastingdienst.

Hoe werkt dat?

Zorg dat je:

Europese kleineondernemersregeling (EU-KOR)

Vanaf 1 januari 2025 kun je de Kleineondernemersregeling (KOR) ook toepassen in andere EU-landen. Voorwaarden:

Met de EU-KOR hoef je in die landen geen btw-aangifte te doen. Je geeft elk kwartaal wél aan de Belastingdienst door hoeveel omzet je per land hebt behaald.

Let op: in Nederland geldt daarnaast een omzetgrens van €20.000 voor toepassing van de KOR.

Tot slot

De btw-regels voor internationale handel lijken eenvoudig, maar in de praktijk zijn er veel uitzonderingen. Bijna geen enkele situatie is standaard.

Laat je daarom goed informeren en voorkom fouten, boetes of onnodige belasting. Neem contact op met Casper Lacroix, Erwin Gritter of je vaste contactpersoon bij ZMGroep.

Bron: SRA Advieswijzer “Btw en buitenland” (01-05-2025)
Disclaimer: Deze gids is gebaseerd op de SRA-advieswijzer. Ondanks zorgvuldige samenstelling aanvaarden wij geen aansprakelijkheid voor onvolledigheden of onjuistheden. Neem bij twijfel altijd contact op met een btw-adviseur.

Per 1 juli 2025 wijzigen de regels voor de splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting en wordt het belangrijk om tijdig te herstructureren of voorlopige aanslagen aan te passen om hoge belastingrente en fiscale nadelen te voorkomen.

De splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting wijzigt per 1 juli 2025

De reikwijdte van de huidige splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting blijkt in de praktijk ruimer dan met de oorspronkelijke vormgeving van deze ondernemingsfaciliteit is bedoeld. Hierdoor is het mogelijk om bedrijfsonderdelen met onroerende zaken af te stoten door deze verkoopklaar te maken via een juridische afsplitsing en vervolgens zonder heffing van overdrachtsbelasting aan derde partijen over te dragen.  Zonder die vrijstelling is bij een dergelijke handeling over de waarde economisch verkeer van de onroerende zaken 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd.

In de nieuwe splistingsvrijstelling die per 1 juli 2025 geldt, moet je aan vier nieuwe voorwaarden voldoen om van de splitsingsvrijstelling gebruik te kunnen maken:

De betrokken onroerende zaken moeten deel uitmaken van een materiële onderneming of van een zelfstandig onderdeel van een onderneming (ondernemingseis). Beleggingsvastgoed en intern verhuurde bedrijfspanden voldoen daar niet aan;

De verkrijgende vennootschap moet die onderneming minimaal drie jaren na de (af)splitsing voortzetten (voortzettingseis);

De (af)splitsende vennootschap of haar aandeelhouders moeten in de verkrijgende vennootschap een soortgelijk aandelenbelang krijgen als zij vóór de splitsing al hadden (soortgelijkbelangeis).

Dat aandelenbelang moeten zij minimaal drie jaar in bezit houden (aanhoudingseis).

 Wanneer kan het verstandig zijn een splitsing nog voor 1 juli 2025 af te ronden?

In minder situaties dan nu kun je vastgoed vanaf 1 juli 2025 zonder heffing overdrachtsbelasting herpositioneren. Daarom kan het verstandiger zijn om dat nog voor 1 juli 2025 te doen. Dan geldt immers nog de huidige ruimhartigere vrijstelling overdrachtsbelasting.

In de volgende situaties kun je dat overwegen:

–          Indien je beleggingsvastgoed afsplitst;

–          Indien de herpositionering van vastgoed is ingegeven door een ruziesplitsing;

–          Indien je vastgoed in verband met een bedrijfsopvolgingstraject afsplitst.

Dat laatste speelt als het vastgoed is ondergebracht in jouw holding/beheer bv met daaronder de werkmaatschappij waarin de onderneming zich bevindt. En het jouw wens is het ondernemingsvermogen – bestaande uit het pand en de aandelen in de werkmaatschappij- in het kader van een bedrijfsopvolging af te splitsen. Vanwege de wetswijziging verandert er het volgende:

Vanaf 1 juli 2025 moet je de ‘tweetrapsraket’ naar een ‘drietrapsraket’ ombouwen. Alleen dan geldt de vrijstelling overdrachtsbelasting. De splitsing van een pand zonder een onderneming komt hier niet langer meer voor in aanmerking.

Die herstructurering moet i.v.m. de aanhoudingseis van 3 jaar tijdig plaatsvinden.

Kortom, om alvast te anticiperen op de mogelijk toekomstige bedrijfsopvolging met het vastgoed, is het ter voorkoming van overdrachtsbelasting zinvol de herstructurering voor 1 juli a.s. af te ronden.

Als je wilt weten wat in jouw situatie verstandig is, bespreken wij dat natuurlijk graag met jou. Daarvoor kun je contact opnemen met onze fiscalisten Erwin Gritter of Casper Lacroix.

Beperk 9% belastingrente en vraag nu voorlopige aanslag aan en doe BTW suppletie !

Inkomstenbelasting
Verzoek jij nu een juiste voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2024? Dan zal de Belastingdienst een voorlopige aanslag opleggen en dan beperk je de belastingrente. De belastingdienst brengt vanaf 1 januari 2025 6,5% belastingrente in rekening tot de vervaltermijn van de aanslag. Over 2024 is de belastingrente zelfs 7,5%

TIP!  Voorkom deze rente en dien dus op tijd jouw voorlopige aangifte in. Als je in maart 2025 of april 2025 een voorlopige aanslag 2024 aanvraagt voorkom je de belastingrente.

Denk er vooral aan om de voorlopige aanslag te verhogen:

–          als de winst uit onderneming hoger is dan in de voorlopige aanslag staat

–          er dividend is uitgekeerd

–          als in voorgaande jaren de voorlopige aanslag te laag was opgelegd

–          bij box 3 vermogen als deze is gestegen en doordat de rendementspercentages bekend zijn en hoger zijn dan in voorlopige aanslag

De rendementspercentages box 3 2024 zijn bekend en zijn:

–          Voor bank- en spaartegoeden 1,44% (in voorlopige aanslag is vaak uitgegaan van 0,92%)

–          Voor schulden 2,61% (in voorlopige aanslag is vaak uitgegaan van 2,46%)

–          En voor overige bezittingen 6,04%

Vennootschapsbelasting
Ook voor de vennootschapsbelasting (VPB) gelden termijnen waarbinnen de Belastingdienst geen belastingrente mag berekenen. Vraag een juiste voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2024.

9% belastingrente!

De belastingrente is vanaf 1 januari 2025 voor de vennootschapsbelasting is 9%. Over 2024 is de belastingrente 10%. Dien dus een correcte voorlopige aanslag van de vennootschapsbelasting in. Zo beperk jij de belastingrente.

TIP! Zorg dat je nauwkeurig de verschuldigde belasting inschat. Is de schatting te laag, dan berekent de Belastingdienst namelijk over het meerdere alsnog belastingrente voor vervallen termijnen vanaf 1 juli 2025. Is de schatting te hoog, dan  vergoedt de Belastingdienst echter geen belastingrente over de in eerste instantie te veel betaalde belasting.

Omzetbelasting
Wanneer je in 2024 te weinig hebt aangegeven en afgedragen aan btw, dan ben je verplicht te corrigeren met een btw-suppletie. Als deze btw-suppletie vóór 1 april 2025 bij de Belastingdienst binnen is, berekent de Belastingdienst geen belastingrente (in 2025 6,5%!). Is de btw-suppletie 2024 niet vóór 1 april 2025 bij de Belastingdienst binnen, dan berekent de Belastingdienst vanaf 1 januari 2025 6,5% belastingrente. Is het te suppleren btw-bedrag € 1.000 of minder, dan verwerk je dit in jouw eerstvolgende btw-aangifte en dien je geen btw-suppletie in. Om een vergrijpboete te voorkomen, kan indienen van de btw-suppletie al op een eerder moment nodig zijn. Vanaf 2025 moet je daarvoor namelijk binnen acht weken nadat je constateert dat je een btw-suppletie moet doen, deze ook indienen. Verder geldt dat je de btw-suppletie moet indienen voordat je weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst al bekend was of zou worden met de te weinig aangegeven of afgedragen btw.

Vragen?
Heb je hier hulp bij nodig? Neem contact op met jouw contactpersoon of met onze fiscalist Casper Lacroix.

Mogelijk te hoog vastgestelde Aof-premie: wat betekent dit voor jou als werkgever?
Sommigen beweren dat de premie voor het arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) al jaren te hoog is vastgesteld. Hierdoor heb jij als werkgever mogelijk te veel premie betaald. Er wordt een collectieve claimactie gestart om de mogelijk te veel betaalde premies terug te vorderen. In deze bijdrage vertellen wij je hier meer over.

Wat is de Aof-premie precies?
De Aof-premie is een verplichte bijdrage die jij als werkgever betaalt. Deze premie financiert arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zoals de WIA. Jij draagt deze premie af via de loonaangifte. De overheid stelt het percentage jaarlijks vast.

Te veel premie betaald?
Volgens sommigen valt de Aof-premie sinds 2019 hoger uit dan deze zou moeten zijn. Dit heeft geleid tot een fondsoverschot eind 2025 van zo’n € 40 miljard. Deze grote reserves roepen vragen op over de noodzaak van de huidige premiehoogte.
Sommigen beweren dat ruim 20% van de betaalde Aof-premie ten onrechte is geheven.

Kun je de te veel betaalde Aof-premie terugvragen?
Als je de mogelijk te veel betaalde Aof-premie wil terugvragen kun je deelnemen aan een collectieve claimactie. Hieromtrent wordt een gerechtelijke procedure gevoerd. Of je recht hebt op een teruggave van betaalde premies hangt af van de uitkomst van deze procedure.

Let op! Met dit artikel informeren wij jou over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de Aof-premie. We oordelen niet over de rechtmatigheid of haalbaarheid van de procedure. De afweging om hier al dan niet aan deel te nemen laten we aan jou als werkgever.

De overstap van een eenmanszaak naar een BV kan fiscaal en juridisch aantrekkelijk zijn, maar vereist maatwerk vanwege gewijzigde belastingtarieven, gebruikelijk loon, aansprakelijkheid, pensioenopbouw en investeringsfaciliteiten.

Overstappen naar een B.V.
Heb je momenteel een eenmanszaak, maatschap of VOF? Dan kan het interessant zijn om over te stappen naar een BV. Of dit voor jou de juiste keuze is, hangt af van tal van aspecten. Welke belangrijke verschillen zijn er?

Wanneer overstappen?
De vraag of – en zo ja wanneer – je er als mkb-ondernemer verstandig aan doet om over te stappen naar een BV is niet eenduidig te beantwoorden en hangt af van bepaalde individuele factoren. Hierbij kun je denken aan zaken als aansprakelijkheid en andere juridische zaken. Van oudsher speelt de fiscaliteit hierbij ook een belangrijke rol, omdat de ondernemer in de inkomstenbelasting anders wordt belast dan de onderneming die onderneemt via een BV. Hierna gaan wij vooral in op deze fiscale aspecten, maar waarbij je dat dus altijd in de totale context moet beoordelen.

Het fiscale aspect van wel of niet overstappen naar een BV is in 2025 wel sterk veranderd. Dit wordt vooral veroorzaakt door een wijziging van het tarief in box 2, waarin onder meer de door de BV aan de DGA uitgekeerde winst wordt belast. Dit gewijzigde tarief betekent dat in 2025 uitgekeerde winst tot een bedrag van € 67.804 belast wordt tegen 24,5%, terwijl over het meerdere een tarief geldt van 31%. Omdat fiscale partners inkomsten in box 2 onderling mogen verdelen, is voor de belastingplichtige met een partner het tarief van 24,5% van toepassing tot 2 x € 67.804, ofwel € 135.608. Pas wanneer meer winst wordt uitgekeerd geldt voor DGA’s met een partner een tarief van 31% over het meerdere. Door de wijziging van het tarief in box 2 per 2024 wordt het volledig oppotten van winst fiscaal onaantrekkelijk gemaakt. Daardoor kan niet meer gezegd worden dat de BV aantrekkelijk is om overwinst oneindig op te kunnen potten. Het uitkeren van winst wordt daarentegen juist aantrekkelijker wanneer deze belast is tegen het lage tarief van 24,5%. Ten opzichte van 2024 is het uitkeren van winst boven een bedrag van € 67.804 voor DGA’s zonder partner in 2025 goedkoper geworden, aangezien dit tarief in 2024 nog 33% bedroeg. Voor DGA’s met partner geldt dit vanaf een uitgekeerde winst van € 135.608.

Tip!

In deze analyse moet je echter wel meenemen dat een dividenduitkering vanaf 2025 van invloed kan zijn op de heffingskortingen waarvoor je in aanmerking komt. Mogelijk heeft een dividenduitkering tot gevolg dat het feitelijke effectieve tarief – ook al valt deze in het lage box 2 tarief van 24,5%- feitelijk belast is tegen een inkomstenbelastingheffing van 31%.

Mocht jij of je partner in 2025 geen of een gering box 1 en box 3 inkomen hebben, kan een dividenduitkering in box 2 fiscaal erg aantrekkelijk zijn. Zo kun je de heffingskortingen optimaal benutten, waardoor je het dividend onder omstandigheden zelfs fiscaal onbelast kunt uitkeren. De aanvankelijk verschuldigde dividendbelasting vraag je dan teruggaaf via de (voorlopige) aangifte inkomstenbelasting 2025.

Vanzelfsprekend beoordelen wij graag in samenspraak met jou of het al niet verstandig is om in 2025 dividend uit te keren. En zo, welk bedrag dan passend is.

Winst belast in de IB-onderneming

Heb je momenteel een eenmanszaak, maatschap of VOF, dan betaal je over de volledige winst het progressieve tarief van de inkomstenbelasting. Onbelast oppotten van winst is dus niet mogelijk. Je hebt wel recht op een aantal ondernemersfaciliteiten die de belastingdruk beperken.

Zelfstandigenaftrek

De belangrijkste is de zelfstandigenaftrek. Dit is een vast bedrag van € 2.470 geldend voor 2025. Voor de zelfstandigenaftrek is vereist dat je minstens 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor jouw bedrijf én dat dit meer dan de helft van het totaalaantal werkzame uren is. Dit wordt het urencriterium genoemd. Deze laatste eis geldt niet voor starters.

Let op! De zelfstandigenaftrek bouwt de wetgever de komende jaren af tot € 900 in 2027.

Let op! Voor starters geldt een extra zelfstandigenaftrek van € 2.123. Deze blijft vooralsnog ongewijzigd.

De zelfstandigenaftrek mag je in mindering brengen op de winst, in 2025 tegen maximaal het tarief van de tweede schijf van de inkomstenbelasting, te weten 37,48% (2025).

Mkb-winstvrijstelling

Een andere belangrijke faciliteit voor de ondernemer in de inkomstenbelasting is de mkb-winstvrijstelling. Deze vrijstelling houdt in dat 12,7% (2025) van jouw winst onbelast blijft. Tevens is 12,7% van een eventueel verlies niet aftrekbaar.

Ook deze aftrek is in 2025 beperkt tot maximaal de tweede schijf van de inkomstenbelasting van 37,48%. Door de mkb-winstvrijstelling betaal je maximaal 44,67% belasting over de behaalde winst, verminderd met de ondernemersfaciliteiten. Hierin is de invloed op de heffingskortingen overigens niet meegenomen.

Winst belast in de BV

In de BV betaal je vennootschapsbelasting over – kort gezegd – de behaalde winst. Het aan de DGA uitbetaalde loon is hierbij wel een aftrekpost. Over de eerste € 200.000 winst betaalt de BV in 2025 19% vennootschapsbelasting, over het meerdere 25,8%. Pas als de BV de winst die na belasting resteert, uitkeert aan de directeur-grootaandeelhouder (DGA), moet de DGA over de uitgekeerde winst aanvullend inkomstenbelasting betalen in box 2 (zie hiervoor). Daardoor wordt de totale winst belast tegen 38,85 tot 48,80%. Je bereikt dit tarief dus pas na uitkering van de winst en het moment hiervan bepaal je zelf. Dit betekent dat het aantrekkelijk kan zijn om in de BV een deel van de winst op te potten en dit pas uit te keren zolang dit tegen het lage tarief van 24,5% mogelijk is. Zoals eerder aangegeven, is daarbij ook van belang of je een fiscale partner hebt.

Een algemeen cijfervoorbeeld*

Belasting in de IB
Bij een winst van € 200.000 breng je in de inkomstenbelasting eerst de zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling tot de maximale aftrek in mindering. Je betaalt daardoor over € 172.444 belasting. Dit bedraagt € 78.800. Ook betaal je € 3.990 inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw-premie), samen € 82.790.

Belasting in de BV
In de BV verminder je de winst van € 200.000 eerst met het gebruikelijk loon van de DGA. Dit stellen we op € 56.000. Hierover betaal je als DGA € 14.272 inkomstenbelasting en € 2.945,60 Zvw-premie. Over het restant betaalt de BV 19% vennootschapsbelasting, ofwel € 27.360. Keert de BV de rest van de winst van € 116.640 uit aan jou als DGA, dan betaal je hierover nog eens 24,5% belasting, ervan uitgaande dat je een partner hebt, ofwel € 28.577. In totaal betalen jij en de BV in dit voorbeeld samen dus € 73.154,60 aan belasting als de winst direct wordt uitgekeerd. Dit is € 9.635,40 minder dan in de inkomstenbelasting.

*(Om de berekeningen eenvoudig te houden, zijn geen premies voor pensioen meegenomen.)

Andere aandachtspunten bij een BV

Naast de rekensom of het fiscaal gezien interessant is de overstap te maken naar een BV, zijn er nog meer aspecten die van belang zijn:

DGA is werknemer

Anders dan de zelfstandig ondernemer merkt de wetgever de DGA voor fiscale regelingen soms als werknemer aan. Voor de loonbelasting is wel sprake van een werknemer, waardoor de BV loonbelasting en Zvw-premie moeten inhouden op het salaris. Voor de sociale zekerheid wordt een DGA doorgaans niet als werknemer beschouwd.

Gebruikelijk loon

De gebruikelijk-loonregeling geldt voor iedereen die een zogenaamd aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap én die ook werkzaamheden verricht voor die vennootschap.
Heb je een BV, dan ben je als DGA verplicht een minimumbedrag aan salaris uit de BV op te nemen.

Dit gebruikelijk loon moet je in 2025 vaststellen op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

–  het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of

–  het loon van de meestverdienende werknemer in jouw BV of verbonden BV’s of

–   € 56.000.

Het gebruikelijk loon is belast in box 1, dus progressief.

Let op! Des te meer gebruikelijk loon je in aanmerking neemt dan wel in aanmerking moet nemen, des te minder je profiteert van het lage tarief van de vennootschapsbelasting van 19% en van het lage tarief in box 2 van 24,5% over de eerste € 67.804, respectievelijk € 135.608 als je een fiscaal partner hebt.

Gebruikelijk loon starters

DGA’s van startende BV’s kunnen zichzelf onder voorwaarden een lager gebruikelijk loon toekennen. Een voorwaarde is dat de BV een hoger gebruikelijk loon niet kan betalen, bijvoorbeeld omdat de BV veel geïnvesteerd heeft en daardoor over onvoldoende financiële middelen beschikt. Een lager gebruikelijk loon voor starters mag maximaal drie jaar lang betaald worden. Is sprake van een eenmanszaak die is omgezet in een BV, dan moet de periode waarin je jouw bedrijf als eenmanszaak dreef van de periode van drie jaar daarvan aftrekken. Een lager gebruikelijk loon dan het minimumloon is mogelijk als anders de continuïteit van jouw BV in gevaar komt.

Gebruikelijk loon verlieslijdende BV’s

Aan de DGA van een BV die verlies lijdt, kan onder voorwaarden een lager gebruikelijk loon worden toegekend. Voorwaarde is dat het verlies de continuïteit van jouw bedrijf in gevaar brengt. Hiervan is geen sprake bij een incidenteel verlies. Verder moet duidelijk zijn dat jouw bedrijf de rekeningen niet meer kan betalen en dat dit niet het gevolg is van een oplopende rekening-courantschuld, uitgekeerd dividend of andere onttrekkingen.

Tip! De DGA kan in beginsel tevens profiteren van de regelingen die ook voor ‘normale’ werknemers gelden. Dit betreft met name kostenvergoedingen en het gebruik van de werkkostenregeling. Volgens deze regeling kan in 2025 2% van de fiscale loonsom tot € 400.000 besteed worden aan belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen en 1,18% over het meerdere van de loonsom daarboven.

Let op! Kostenvergoedingen mogen alleen via de werkkostenregeling worden afgewikkeld indien het gebruikelijk is dat een eventuele belastingheffing door de werkgever wordt betaald. De bewijslast ligt bij de BV en de DGA. Tot een bedrag van € 2.400 is die gebruikelijkheid automatisch van toepassing. Wel zul je de maximale vrije ruimte moeten bepalen aan de hand van de feitelijke loonsom en die kan dus lager zijn dan € 2.400.

Aansprakelijkheid

Een voordeel van de BV is dat de aansprakelijkheid van de DGA beperkt is tot het in de BV geïnvesteerde bedrag, oftewel de waarde van de aandelen. Formeel is de DGA dus niet aansprakelijk voor de schulden van de BV, tenzij sprake is van wanbeleid of andere vormen van bestuurdersaansprakelijkheid. Tevens kan aansprakelijkheid jegens de Belastingdienst ontstaan bij het niet-nakomen van bepaalde verplichtingen, zoals het tijdig melden van betalingsonmacht.

Let op! In de praktijk komt het voor dat banken, bij het verstrekken van een financiering voor de BV, eisen dat de DGA in privé meeondertekent. Wanneer de BV haar schulden niet meer kan betalen, worden deze dan toch verhaald op het privévermogen van de DGA.

Verzekeringsaspecten

Anders dan een gewone werknemer is de DGA in de regel niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, een gezagsverhouding ontbreekt en de DGA niet tegen zijn wil ontslagen kan worden, is er geen sprake van premieplicht. In dat geval moet hij zichzelf dus verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, hoewel dit laatste vrij moeilijk is.

De DGA is wel verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en moet hiervoor, net als de zelfstandig ondernemer, zelf de premies betalen. Voor 2025 is de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw vastgesteld op 5,26% van het premieplichtig inkomen, tot een maximuminkomen van € 75.860. De maximale inkomensafhankelijke bijdrage Zvw komt daardoor op € 3.990. Deze bijdrage geldt zowel voor de zelfstandig ondernemer als de DGA.

Oudedagsvoorziening

Sinds enige tijd zijn de maximum aftrekbare bedragen voor het opbouwen van een oudedagsvoorziening beperkt. De ondernemer in de inkomstenbelasting en de DGA kunnen hier allebei door worden getroffen. Het uitgangspunt is immers dat een maximaal pensioengevend salaris niet meer dan € 137.800 (2025) mag bedragen. Wil je meer pensioen opbouwen, dan is dit niet meer fiscaal gefaciliteerd. Daarnaast is vanaf 2023 de dotatie aan de oudedagsreserve voor zelfstandig ondernemers geschrapt, de zogenaamde FOR. Over een bestaande oudedagsreserve hoeft nog niet direct te worden afgerekend met de fiscus, maar de reserve kan niet meer worden verhoogd via extra dotaties.

Anderzijds is vanaf 2023 de mogelijkheid van het storten van lijfrentepremies of inleg in een bankspaarproduct dat fiscaal aftrekbaar is van de winst, fors toegenomen. Op die manier kunnen ondernemers en DGA’s toch voor een aanzienlijk bedrag per jaar fiscaal gefaciliteerd sparen voor de ‘oude dag’. Een nadeel is dat je tussentijds niet zonder fiscale gevolgen over de ingelegde bedragen kunt beschikken, zoals bij de oudedagsreserve.

Beperking afschrijven op bedrijfsgebouwen

Sinds 2019 is de afschrijving op alle bedrijfsgebouwen in eigen gebruik voor BV’s beperkt tot 100% van de WOZ-waarde. Hierdoor kunnen BV’s minder afschrijven op hun bedrijfsgebouwen. Deze beperking geldt sinds 2024 ook voor ondernemers in de inkomstenbelasting ten aanzien van gebouwen in eigen gebruik. Voor sommige ondernemers geldt een beperkte overgangsregeling, namelijk zolang nog niet drie jaar op een gebouw is afgeschreven.

Zakendoen met jouw BV

Als je een BV hebt, kun je hier als DGA ook zakelijk mee handelen. Je bent in feite te vergelijken met een onafhankelijke derde. Zo kun je bijvoorbeeld geld lenen van jouw BV voor een grote aankoop of via jouw BV een (hypothecaire) lening afsluiten voor de aankoop van een woning. De winst die jouw BV hiermee behaalt, komt dan ten goede aan jouw BV en niet aan jouw bank. En de rente die je betaalt voor een eigenwoningfinanciering is onder voorwaarden aftrekbaar in de aangifte inkomstenbelasting. Houd er wel rekening mee dat leningen bij de BV vanaf 2024 zijn gemaximeerd tot € 500.000. Leen je meer, dan is het meerdere belast als fictief inkomen in box 2. Voor dit bedrag tellen kwalificerende leningen voor de eigen woning niet mee.

Let op! Eigenwoningleningen die vanaf 2023 bij de eigen BV zijn afgesloten, tellen alleen niet mee als op de woning een recht van hypotheek is gevestigd.

Houd er ook rekening mee dat je bij dergelijke transacties zakelijke voorwaarden in acht neemt. Denk aan het rentepercentage, onderpand en voortijdig aflossen. Schakel desgewenst een adviseur in om je hiermee bij te staan.

Geruisloos doorschuiven

Als je wilt overstappen van een onderneming in de inkomstenbelasting naar een BV, dien je in beginsel met de fiscus af te rekenen over de opgebouwde (stille) reserves, waaronder ook de stand van de oudedagsreserve (FOR). Zo kan bijvoorbeeld de boekwaarde van jouw pand lager zijn dan de werkelijke waarde.

Er bestaat een mogelijkheid om niet af te rekenen, maar ‘geruisloos’ door te schuiven. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat de BV met dezelfde boekwaarde verdergaat als waarmee de onderneming in de inkomstenbelasting stopte.

Een nadeel hiervan is dat de BV geen investeringsaftrek kan claimen en ook over lagere bedragen af kan schrijven. Het is dan ook helemaal afhankelijk van jouw situatie of geruisloos doorschuiven voor jou voordeliger is of niet.

Er is ook een alternatief voor geruisloos doorschuiven, namelijk het bedingen van een lijfrente bij de eigen BV of een bank of verzekeraar. Tegenover de belaste stakingswinst staat dan de aftrek van de inleg in het lijfrenteproduct (die bij een eigen BV niet hoeft te worden betaald). Dit kan echter niet voor onbeperkte bedragen.

Let op! Bij geruisloos doorschuiven moet op termijn, bij verkoop van de BV, in principe nog wel over de opgebouwde reserves afgerekend worden. Tenzij jouw opvolger ook weer besluit om geruisloos door te schuiven. Op deze manier kan de belastingclaim (eindeloos) worden uitgesteld. Geruisloos doorschuiven is echter niet altijd mogelijk of aantrekkelijk.

In dit nieuwsbericht hebben wij de belangrijkste aspecten van de overstap naar een BV op een rij gezet. Het is echter onmogelijk om in deze vorm alle aspecten voldoende te belichten. Daarbij is er altijd sprake van maatwerk. Overweeg je de overstap naar een BV, neem dan contact met je vaste contactpersoon of met één van onze fiscalisten  Erwin Gritter of Casper Lacroix. Wij adviseren je graag bij jouw beslissing.

Secret Link